Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Morgen

betekenis & definitie

I. MORGEN

m. (-s),
1. tijd tussen de nacht en de volle dag, ochtendstond; begin van de dag: de morgen breekt aan; tegen de morgen heeft het iets gevroren; — van de morgen tot de avond zit hij te werken, altijd door, zonder ophouden;
2. (bij uitbr.) tijd lopende van het begin van de dag tot de middag: gedurende, in de morgen; van morgen; ’s morgens; ik heb hem van morgen nog gesproken; iem. goede morgen wensen, zeggen; — goede morgen! als begroeting; ook alleen morgen! ; ook iron. om te kennen te geven dat iets niet uitkomt zoals men verwacht of gehoopt had: ik dacht hem daar te treffen, maar, goede morgen ! hij was al gevlogen ; — frisse morgen, heilwens bij het bitteren of borrelen, prosit, gezondheid; — te avond of morgen loopt het verkeerd af, te eniger tijd;
3. (fig.) begin van enig tijdperk, enige toestand: de morgen der vrijheid ; de morgen des levens, de eerste levensjaren, de tijd waarmee het leven begint;
4. (dicht.) het Oosten.

II. MORGEN

1. bw. van tijd; eig. op de morgen, wanneer de nacht zal voorbij zijn; vandaar: op de eerstvolgende dag: ik zal morgen wél eens komen ; morgen komt er weer een dag, gezegd om te kennen te geven dat iets niet af hoeft, dat er niet zo’n haast bij is ; de dag van morgen, morgen aan de dag; — (gemeenz.) morgen brengen! gezegd als men iets niet wil doen of als er van iets niets komt: ik zal hem maar alles geven wat hij vraagt! jawel, morgen brengen ; — heden wij, morgen gij, morgen is het uw beurt (b.v. van sterven);
2. de naaste toekomst: de ministers van morgen en overmorgen; — ook zelfst. gebruikt (o.): God heeft het morgen in Zijn hand.

III. MORGEN

m. (-s), oude landmaat waarvan de grootte in verschillende streken zeer uiteenloopt [eig. zoveel land als in een morgen kon worden geploegd] : de Rijnlandse morgen = 8516 m2 of ruim ⅘ ha; de Amstellandse morgen = 8129 m2; de Waterlandse 10770 m2, de Gelderse 3180 m2.