Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Mannelijk

betekenis & definitie

bn. bw.,

1. tot de man. tot het mannelijk geslacht behorende: een mannelijk persoon; de mannelijke linie van dit geslacht is uitgestorven;het mannelijk lid, de roede, penis; — een mannelijk leen, waarin alleen mannen mochten opvolgen;
2. (plantk.) een mannelijke bloem, die alleen meeldraden en geen stampers heeft;
3. (taalk.) behorende tot één van de twee of drie geslachten of verbuigingsgroepen waarin de naamwoorden worden verdeeld; (in het Nederlands) behorende tot de verbuigingsgroep die pronominaal met hij wordt aangeduid; — in deze bet. ook als zn.;
4. (dichtk.) mannelijk rijm, staand rijm, eindrijm waarbij de versregel eindigt op de rijmende lettergreep zonder iets meer: kan: man is een mannelijk rijm;
5. als van een man: een mannelijke stem; een mannelijk gelaat;
6. in tegenstelling met kinderlijk: de mannelijke leeftijd;
7. flink, krachtig, moedig, dapper, zoals het een man betaamt: zich mannelijk gedragen; mannelijk handelen.