Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Lessenaar

betekenis & definitie

m. (-s),

1. schuin blad op voetstuk of als bovendeel van een kast- of tafelvormig meubel waarvan men zich bij het schrijven en lezen bedient: aan de lessenaar staan, klerk zijn; aan de lessenaar zitten, ambtenaar zijn;
— meubel waarop bij het zingen of bij het maken van muziek het muziekblad ligt;
— (R.-K.) schuin blad waarop in de kerk het misboek ligt;
2. (tuinb.) lage broeibak tegen een muur of schutting.