Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Landen

betekenis & definitie

(landde, is en heeft geland),

I. overg.,
1. aan land zetten, ontschepen;
2. neerlaten, neervieren : een stuk op het dek landen;

II. onoverg.,

1. bij het land komen : waar is de vloot geland ?
2. aan land gaan of komen, inz. van troepen die zich voor krijgsverrichtingen aan land begeven : de troepen landden op de Noordwestkust van Frankrijk;
3. (van vliegtuigen en vliegers) : op de grond neerkomen: de piloot landde vlot;
4. (fig., veroud). op een plaats, in een zekere toestand komen: hij landde aan de andere zijde der zaal;
5. (Zuidn.) belenden: zijn weide landt aan de rivier.