Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Kost

betekenis & definitie

m. (-en),

1. datgene waarop een zaak die verhandeld -wordt, een handeling, gebeurtenis enz. die plaats heeft, te staan komt, wat er voor betaald wordt of moet worden, de prijs er van, hetzij op zichzelf beschouwd, of, gewoonlijk, met betr. tot een belanghebbend persoon ; thans alleen in het mv., behalve in verb. met ten en in enkele zegsw. : ieder droeg iets tot (of in) de kosten van het feest bij; het is de kosten van het binden niet waard; op geen kosten zien; de kosten bestrijden, dekken, dragen, op anderen verhalen; de kosten dezes zijn ... ; — soms bep. onkosten, bijkomstige uitgaven: na aftrek van de kosten blijft er zoveel over ; er zijn weinig kosten aan verbonden ; — spr.: de kost gaat voor de baat uit, om winst of voordeel te kunnen behalen moet men eerst uitgaven doen ; — iem. op kosten jagen, hem noodzaken (ongewenste of onnodige) uitgaven te doen; — op kosten van ..., zo dat de genoemde het betaalt: de uitgave geschiedt op kosten van het genootschap; evenzo te mijnen, zijnen koste, ook oneig., ten nadele van; — op kosten van ongelijk, wie ongelijk heeft, betaalt; — veel aan iets ten koste leggen, er veel geld voor uitgeven, (oneig.) er veel moeite aan besteden; — zegsw. : dat zijn maar kosten op het sterfhuis, nutteloze uitgaven; — (recht.) de kosten van het proces, alle uitgaven die daaraan verbonden zijn, t.w. belastingen, beloningen, salarissen en lonen: iem. veroordelen in de kosten (van het proces), bij het vonnis bepalen dat hij die moet betalen; een proces verliezen met de kosten ;ten koste van —, veelal met de gedachte dat de genoemde prijs (eig. of fig.) ongaarne betaald wordt : ten koste van grote opofferingen; het gaat ten koste van zijn gezondheid ; ten koste van de waarheid, zó dat de waarheid daarbij wordt te kort gedaan ; ten koste van zijn leven, met opoffering daarvan; geestig zijn ten koste van iemand, zó dat de genoemde er bespottelijk door wordt gemaakt;
2.levensonderhoud, bestaan, ,,brood” : de kost winnen, verdienen; aan de kost komen, in zijn onderhoud voorzien ; — wat doet hij voor de kost? hoe, met welk werk verdient hij zijn levensonderhoud ? — zijn kost kopen, zich tegen betaling van een som ineens voor zijn verder leven ergens inwoning en onderhoud verzekeren, b.v. in een hofje; zijn kostje is gekocht, hij heeft een verzekerd bestaan, is onder dak;
3. (in engere zin) dagelijks verstrekte voeding, menage, event. met inbegrip van inwoning : hij dient daar voor kost en kleren; de kost is er goed ; ergens of bij iemand in de kost zijn, er tegen betaling geregeld van spijs en drank voorzien worden; in de halve kost zijn, alleen ’s morgens en om 12 uur er eten; volle of hele kost, waarbij alle maaltijden verstrekt worden; — kost en inwoning, voeding en huisvesting; vrije kost, waarvoor men niet hoeft te betalen; — hij heeft de Jcost voor ’t eten, behoeft zich voor zijn levensonderhoud niet bezorgd te maken ; — (spr.) bij Sint Joris in de kost zijn, ergens kosteloos eten of drinken;
4.spijs als voedsel, dat wat men eet of te eten krijgt, inz. beschouwd met betr. tot smakelijkheid, voedingswaarde of geschiktheid, en dus meestal met een bn.: eenvoudige, degelijke, voedzame, lichte, zware, slechte, slappe, smakeloze kost; dat is geen kost voor zieken ; — (praegn., in ongunst, zin) slechte spijs: ’t is kost hoor! — (oneig.) zijn ogen de kost geven, goed opletten, alles met aandacht bekijken; — (fig.) iets dat door de geest moet worden verwerkt, geestelijk voedsel: zeker, de poëzie van Potgieter is zware kost; — gezonde kost, degelijke, niet prikkelende lectuur; — dat is geen kost voor kinderen, dat behoren kinderen nog niet te lezen; — dat is al oude kost, al lang bekend.