m. (-s),
1. half bolvormige overwelving van een gebouw of een deel er van met een kringvormig of veelhoekig grondvlak, al of niet steunende op verticaal opgaande wanden of pilaren: de koepel van de St.-Pieterskerk te Rome; op het dak staat een open achthoekig koepeltje met een klok er in; — (fig.) de koepel der blauwe lucht;
2. tuinhuisje, al of niet in de gedaante als onder 1.: de familie zat thee te drinken in de koepel;
3. stoomdom;
4. draaibare gepantserde geschutstand, hetzij op de vaste grond, of op een schip, vliegtuig of tank.