Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Knecht

betekenis & definitie

m. (-s, -en),

1. (in ’t alg.) mannelijk persoon die in iemands dienst werkzaam is als zodanig, dienaar ; bediende : heren en knechten ; St. Nicolaas met zijn knecht: — bep. bediende bij een familie, voor het verrichten van werkzaamheden in huis, tuin of stal: knechts en meiden; vgl. huis-, stalknecht; — (spr.) zo heer, zo knecht, aan de bediende kent men de meester; — had je me gisteren gehuurd, dan was ik -vandaag uw knecht geweest, tot iem. gezegd die ons een dienst vraagt, welke wij niet wensen te verrichten; — in bijbelstijl ter uitdr. van de verhouding van de gelovige tot God: Mozes, de knecht des Heren (Deut. 34 : 5); gij hebt uwen knecht honing gemaakt (1 Kon. 3:7); — oneig. in ongunst, zin: slaafs dienaar : Hitler en zijn knechten ;
2. (in ’t bijz.) mannelijk bediende die bij een patroon werkzaamheden in zeker vak verricht, gezel: de baas en zijn knechts ; die slager heeft drie knechts ;
3. (eert.) soldaat, krijgsknecht;
4.(overdr.) voorwerp dat dienst bewijst; vgl. stommeknecht, laarzenknecht; (zeew.) soort van windas op sommige kustvaarders, om zeilen of goederen uit het ruim te hijsen; — blok met gaten aan weerskanten van de mast of klamp aan de koker er van voor het vastmaken van touwwerk; — (timm.) klos om iets vast te zetten.

< >