Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Kleuren

betekenis & definitie

(kleurde, heeft gekleurd),

I. overg.,
1. kleur geven aan, bepaaldelijk: kleurstof, verf aanbrengen op of in iets: de kinderen zitten prentjes te kleuren; paaseieren kleuren; boter kleuren; ook: door bestraling of zekere werking

kleur doen verkrijgen: de zon kleurt de druiven; de ondergaande zon kleurt de heuvels rood; (van zaken) het bloed uit de wond kleurde het gewaad; kleurende bestanddelen; zich kleuren, kleur krijgen, gekleurd worden: de weiden kleuren zich reeds;

2. (fig.) iets te sterk kleuren, overdrijven, te schril voorstellen; anders, mooier voorstellen dan de werkelijkheid is: de verbeelding die de feiten kleurt;
3. (van het gelaat, de huid) rood doen worden, doen blozen: een lichte blos kleurde haar wangen; schaamte kleurt de wangen;
4. (bakk.) het voor de tweede maal bakken van beschuit;

II. onoverg.,

1. kleur, of zekere kleur aannemen: de appels beginnen te kleuren; het staal kleurt in het vuur;
2. (in ’t bijz.) een kleur krijgen, rood worden, blozen: hij kleurde tot achter zijn oren;
3. (litt. t.) zich als kleur of in kleuren vertonen;
4. (kaartsp.) zich kaarten verschaffen van dezelfde kleur; ook als naam van zeker kaartspel, zie Commercen.