Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Kiezen

betekenis & definitie

(koos, heeft gekozen),

1. bij een gegeven aantal mogelijkheden zich tot één daarvan bepalen, een keus doen, uit twee of meer personen of zaken aan één de voorkeur geven : welke wil je hebben? je mag kiezen; moeten kiezen of delen, zich moeten bepalen bij het één of het ander (meestal op straffe van enige sanctie of onaangenaamheid) ; — als object treedt op datgene ten gunste waarvan men beslist: ik heb een vospaard gekozen; een beroep kiezen ; gij hebt het beste deel gekozen ; — (spr.) van twee kwaden moet men het minste kiezen; — zijn woorden goed kiezen, dié gebruiken die het beste effect hebben of het meest passend zijn ; — partij kiezen, zich vóór de een en tegen de ander verklaren;
2. (in verzwakte opvatting) in vaste verb., ongeveer gelijk aan nemen : de vlucht,, het hazenpad kiezen, vluchten; een richting, een woonplaats, ergens domicilie kiezen; — (zeew.) zee kiezen, uitzeilen ; het ruime sop kiezen, de volle zee invaren;
3. verkiezen, uit een aantal personen er één met iets belasten, met een waardigheid bekleden : de nieuwe commissieleden worden gekozen uit een dubbeltal; iem. tot koning, tot afgevaardigde kiezen; — in ’t bijz. met betr. tot het aanwijzen van volksvertegenwoordigers: gekozen worden, zoveel stemmen krijgen dat men een zetel krijgt; — de functie van kiezer uitoefenen: het is burgerplicht te kiezen en te stemmen ; — (Zuidn.) stemmen : voor iemand kiezen.