Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Keuren

betekenis & definitie

(keurde, heeft gekeurd),

1. (veroud.) kiezen;
2. proeven en oordelen hoe iets smaakt: we zullen je baksel eens keuren;
3. de hoedanigheid of deugdelijkheid van iets onderzoeken in verband met gestelde eisen: hout, baksteen, zaaizaad keuren; levensmiddelen, vlees keuren, onderzoeken of ze deugdelijk zijn, onschadelijk voor de gezondheid; — hengsten, paarden keuren, onderzoeken of zij aan de eisen voor een bepaald doel gesteld voldoen; — (van personen) hun lichamelijke geschiktheid of gesteldheid onderzoeken: recruten voor de krijgsdienst keuren; zich voor een levensverzekering laten keuren;
4. (van voortbrengselen van geest of kunst) ze onderzoeken naar hun waarde, aesthetische kwaliteiten, of wel naar hun toelaatbaarheid: verzen keuren; toneelstukken, films keuren, censureren;
5. onderzoeken en beoordelen of iets in de vereiste staat of toestand is, inz. bij het dijk- en polderwezen;
6. het gehalte van gouden en zilveren voorwerpen onderzoeken, en vand.: ze stempelen ten bewijze dat ze gekeurd zijn: goud dat niet gekeurd is, geen keur heeft;
7. een oordeel, een gevoelen hebben omtrent iets of iem., achten, rekenen, vinden: iets nodig, raadzaam, dienstig, geschikt keuren; iemand iets waardig keuren; — de waarde toekennen die een bep. uitdrukt: iets braaf, begeerlijk, merkwaardig keuren;
8. een keur maken, als voorschrift vaststellen.