Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Kennis

betekenis & definitie

v. (-sen),

1. het kennen van iem. of iets, het weten wie, wat of hoe iets of iem. is: hoe is hij aan de kennis van die stukken gekomen?; uit de kennis van zijn karakter kan men dat afleiden; — de boom der kennis (des goeds en des kwaads), de boom in het paradijs waarvan God de mensen verbood te eten; vand.: de kennis des goeds en des kwaads, de kennis des onderscheids, het kunnen onderscheiden wat goed en wat kwaad is; — kennis aan iets krijgen, er bekend mee worden; — hebt gij daar kennis aan? weet gij van wie dat is? is dat niet van u?
2. bekendheid, gemeenzaamheid met een persoon door of in de omgang, persoonlijke betrekking: iets doen uit (wegens) oude kennis, omdat men elkaar al lang kent: in kennis met iemand komen; kennis met iem. maken, bij uitbr. ook van zaken gezegd, en ook iron. voor: er mee in aanraking komen, er mee te doen krijgen: met iemands vuisten kennis maken; al eens met de politie, met de gevangenis kennis gemaakt hebben: aangenaam kennis te maken beleefdheidsformule bij het voorstellen; kennis aan iem. hebben, hem kennen: inz. (Zuidn.) er mede verkeren, vrijen; — de kennis aanhouden, de vriendschappelijke betrekking onderhouden: — iemand van mijn kennis, met wie ik gemeenzaam bekend ben;
3. (gemeensl.) persoon die men (meer of minder vertrouwelijk) kent, bekende, persoon met wie men omgaat: veel kennissen hebben; wij zijn goede kennissen; onder kennissen, in de kring van goede bekenden; dat is een oude kennis, iem. die men al lang kent; oneig. ook van zaken: iets dat men reeds vroeger heeft ontmoet: dit woord is een oude kennis uit het Gotisch;
4. het weten van, de bekendheid met een gebeurtenis, omstandigheid enz.: zijn onvoldoende kennis van hetgeen was voorgevallen; met kennis van zaken, op de hoogte van hetgeen men weten moet, met oordeel; — iem. van iets in kennis stellen, het hem mededelen; ter algemene kennis wordt gebracht, begin van vele publicaties; — kennis van iets nemen, zich er van op de hoogte stellen; in ’t bijz. er als rechter onderzoek naar doen en over oordelen; — kennis van iets dragen, er van weten, er van op de hoogte zijn; — vand. medeweten, voorweten: dat is buiten mijn kennis geschied; ook in de zin van: daar weet ik niets van; — bewustheid, heugenis: bij mijn kennis, voor zover ik weet of mij herinner;
5. besef, het vermogen om te kennen, te onderscheiden: het kleine kind begint al kennis te krijgen; — bewustzijn: buiten kennis zijn of liggen, zonder bewustzijn, in een flauwte, in onmacht; weer bij kennis komen;
6. verstand, vermogen om te begrijpen, inzicht: dat gaat mijn kennis te boven;
7. door onderzoek, studie of oefening verkregen bekendheid, vertrouwdheid met —, weten van iets: de kennis van de toestanden in Amerika-, de kennis der zinsontleding; kennis van vreemde talen; aardrijkskundige kennis, op liet gebied der aardrijkskunde; — in object, zin, als vak (wat gekend kan worden); kennis der natuur, plant-, dier- en delfstofkunde; — het geheel van wat iem. weet op een bep. gebied of in ’t alg.: ik bewonder uw kennis; onze kennis van de bouw der atomen; halve kennis, gebrekkig, gedeeltelijk weten; parate kennis: spr.: kennis is macht;
8. het kennen als algemeen of wijsgerig begrip: de gronden van onze kennis.