I. v. (-s),
1. de eetbare meelachtige vrucht van de tamme kastanjeboom: gebraden, gepofte, geglaceerde kastanjes; — (spr.) iem. de kastanjes uit het vuur laten halen, door een ander een gevaarlijke of lastige arbeid laten verrichten, terwijl men er zelf het meeste voordeel van trekt;
2. de oneetbare vrucht van de wilde kastanjeboom;
3.eeltknobbel aan de poten van paard of ezel;
II. m. (-s), kastanjeboom, inz. de wilde.