Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Kas

betekenis & definitie

v. (-sen),

1. beschuttend omhulsel, kast, doos, foedraal: de kas van een horloge; — eert. inz. relikwiekas; bij iem. in de kas zijn, staan, in de gunst, hoog aangeschreven staan;
2. planken kast om een standbeeld, een bank enz. ter bescherming tegen het weer: met November gaat de kas om Vosmaer in de Scheveningse bosjes;
3. (gew.) huisje, kapelletje tegen een muur of een gebouw om iets in te zetten of te hangen (vgl. Kasje); — (Zuidn.) mars van een marskramer; (scherts.) bult; 4. (eert.) kist, koffer, in ’t bijz. als bergplaats (op een kantoor) voor geld en geldswaarden; thans alleen oneig. in verb. als: geld —, een zeker bedrag in kas hebben, in voorraad, tot zijn dadelijke beschikking hebben; ik heb niet in zijn kas gekeken, ik weet niet of hij rijk is of niet; — (vand.)
5. beschikbaar geld, contanten; (hand.) voorraad gereed geld en geldswaarden; ook: geld dat men onder zich heeft, te beheren heeft: de kas van een vereniging; met de kas op de loop gaan; de kleine kas, geld bestemd voor dagelijkse kleine betalingen en onkosten; — niet bij kas zijn, geen geld ter beschikking, op zak of in zijn bezit hebben; — de kas houden, het bestuur over het geld hebben; — de kas sluit, is akkoord met het kassiersboek; de kas opmaken, de staat van de geldmiddelen vaststellen, het saldo berekenen; — per kas, in kasgeld; contant (vgl. Cassa);
6. plaats, loket waar betalingen en ontvangsten geschieden, cassa: aan de kas staan;
7. geldmiddelen van een vorst, een staat enz.: ’s Rijks kas; de openbare kas; — fonds;
8. glazen gebouw(tje) voor het trekken en kweken van planten, bloemen en vruchten, broeikas: koude kas, die alleen door de zon verwarmd wordt; warme kas, waarin gestookt wordt: druiven uit de kas; in het Westland heeft men veel grote kassen;
9. (bouwk.) deurkas (bij sluizen); — inkassing (in metselwerk); — uitgegraven bed voor een weg;
10. kom, inkassing voor een juweel; — (ontl.) holte waarin een orgaan geplaatst is: de kassen der tanden; zijn ogen puilden uit hun kassen; vgl. hersenkas;
11. (Zuidn.) lichaam, buik: zijn kas vullen, eten; (gew. zegsw.) hij heeft een kas aan, of hij heeft een stuk in zijn kas, hij is dronken; — op zijn kas krijgen, een pak slaag krijgen; (ook) er doorgehaald worden;
12. (gemeenz.) kamer, hok; — (diev.) huis;
13. verkorting van kaspapier.

[Opm. Eert. had en nog thans heeft kas gewest, veelal de bet. waarvoor in het alg. beschaafd Nederl. kast gebruikt wordt; zie dus ook dat art.]