Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Kaart

betekenis & definitie

v. (-en),

1. speelkaart: kaarten van verschillende kleur; een spel kaarten; — alles op één kaart zetten, zijn geluk van één enkele handeling laten afhangen; — in het mv. of in het enk. als collectief voor een volledig stel: een bespeelde kaart, een spel kaarten waarmede reeds gespeeld is ; een nieuwe kaart; de kaart geven, steken, afnemen, couperen; de kaarten doorschieten, wassen; de kaart vergeven, vals geven; — kaartspel: bij kaart en glas ; een. partijtje, een potje kaart;doorgestoken kaart, afgesproken spel; — de kaart leggen, waarzeggen uit op een bep. wijze gelegde kaarten;
2. het spel kaarten dat iem. toebedeeld is: een mooie kaart, goede kaarten hebben, voordelig om te spelen; — iem. in de kaart kijken of zien, (fig.) zijn geheime plannen, bedoelingen enz. doorzien; — zich in de kaart laten kijken, zijn plannen, oogmerken voor anderen niet weten te verbergen; — in de kaart der tegenpartij speten, onbedoeld of zelfs tegen zijn bedoeling de plannen der tegenpartij bevorderen; — (met) open kaart of kaart, op tafel speten, niets verbergen ; zijn kaarten op tafel leggen,. zijn bedoelingen en mogelijkheden openlijk tonen; — (Zuidn.) de kaarten duiken, zijn spel niet laten zien, (fig.)> zijn oogmerk verborgen houden; — (sprw.) de gekken krijgen de kaart, het geluk helpt de onverstandigen of dommen; — de kaart is gekeerd, de kans is gekeerd ;
3.rechthoekig, groter of kleiner stuk dun karton (kaartenblad) voor enig bijzonder doel, om te beschrijven of met ’t een of ander bedrukt of beschreven, b.v. een correspondentiekaart, een blad van een kaartregister enz.; — in ’t bijz. bewijs van toegang, toegangskaart: deze kaart geeft toegang tot alle gebouwen der tentoonstelling; ik heb nog geen kaart voor de uitvoering van heden avond ; — ook als verkorting van (prent)briefkaart: ik kreeg een kaart van hem uit B.; — vgl. spijs-, staalkaart enz. en zie ook Kaatjje;
4. (bij kantwerksters) stijf papier dat men op het kussen speldt en waar de bouten op rollen; — patroonkaart voor de Jacquard-machine;
5. blad met een schematische, verkleinde voorstelling van de aarde of een deel daarvan, van een zee met haar ondiepten, stromingen enz. of van de hemel: een kaart van Europa, van Zuid-Holland, van Parijs (bij steden spreekt men echter gewoonlijk van plattegroiul); plaatsen op de kaart aanwijzen ; topografische kaart, op een schaal van 1/50000 tot 1/150000 ; — een af gezette kaart, gekleurd ; — een blinde kaart, waarop de ligging der plaatsen, rivieren enz. is aangegeven, zonder bijvoeging van de naam; — een platte kaart, waarop de lengte- en breedtecirkels als rechte lijnen voorgesteld zijn; — een terrein in kaart brengen, er een kaart van vervaardigen; — de kaart kunnen lezen, de tekens die er op voorkomen verstaan en zich er mee kunnen oriënteren; — (fig.) de kaart van het land kennen, de toestanden enz. van zijn omgeving, van de maatschappij goed kennen, weten wat er te koop is.