man uit het land Uz, aan wie onder Gods toelating alles door Satan wordt ontnomen. Job zondigt bij dit alles niet.
Tenslotte wordt hij door God gerechtvaardigd in een onweer. Zijn bezittingen ontvangt hij dubbel terug en zijn vrienden, die hem bestraft hadden, in de overtuiging dat Job kwaad had gedaan, worden in ’t ongelijk gesteld (Job. 1 : 1). Zie ook het Wdb.