Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Ijzer

betekenis & definitie

o. (-s),

1. chemisch element (Fe) uit de achtste groep van het periodiek systeem, een onedel zwaar metaal, dat in grote hoeveelheid in gebonden toestand in de natuur voorkomt en tot velerlei doeleinden -wordt gebruikt: ijzer lost gemakkelijk op in verdunde zuren; een stuk ijzer ; ruw ijzer, ijzer zoals het uit de hoogovens komt; ijzer smeden, gloeien ; gegoten ijzer; geslagen ijzer (smeedijzer); vgl. band-, giet-, plaat-, staaf-, welijzer enz.; — zo hard, zo sterk als ijzer, zeer hard of sterk; (w. g.) nood breekt ijzer, iem. die in nood is, vermag wat hij anders nooit zou kunnen; — men kan geen ijzer met handen breken, het onmogelijke is niet te doen; — het ijzer smeden terwijl het heet is, een gunstige gelegenheid niet ongebruikt laten voorbijgaan ; — ik heb ijzer, ik houd het (enig voorwerp) vast (in een kinderspel);

(fig.) hij heeft een hart van ijzer, hij is een ongevoelig mens; — hij is van ijzer en staal, hij is zeer sterk, tegen alle vermoeienissen bestand ; — (Zuidn.) zijn tong slaat ijzer, zijn tong slaat dubbel (van beschonken mensen);

2. ijzererts : in de Oeral vindt men ijzer en koper;
3. (coll.) voorwerpen van ijzer: oud ijzer, onbruikbaar geworden ijzeren voorwerpen ; — het is lood om oud ijzer, het komt op hetzelfde neer, er is weinig of geen verschil tussen;
4. voorwerp van ijzer, stuk ijzer : hij heeft hem met een ijzer geslagen (vgl. IJzertje); — inz. zulk een voorwerp of onderdeel van ijzer als uit het verband blijkt : het ijzer van een werpspies of lans, de metalen puut; het ijzer van een vaarboom ; — het paard heeft een ijzer verloren, een hoefijzer ; (Zuidn.) de ijzers keren, sterven ; strijkijzer ; — wafelijzer ; — brandijzer ; — oorijzer ; de ijzers, (volkst.) een verlostang ; — het kind loopt in ijzers, ijzeren beugels ; — boeien: iem. de ijzers aanleg gen, in de ijzers slaan ; — de ijzers onderbinden, de schaatsen ; — dat is een heet ijzer om aan te vatten, dat is een netelige zaak (vgl. Hangijzer).