Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Iemand

betekenis & definitie

onbep. vnw.,

1. de een of andere persoon, deze of gene : ik heb iemand gezien; is daar iemand? ; iemand van ons ; — (Zuidn.) ge zult hem niet bedriegen', er is iemand thuis, hij is er veel te flink voor; — iemand anders, een ander, niet dezelfde ; iemand vreemds, een vreemde;
2. (met nadruk) enig mens, wie ’t ook zij : hij wilde niet dat iemandhet wist; is er iemand ter wereld die enz.;
3. een persoon die nader aangeduid wordt door zo of door een bijzin met die : zo iemand ken ik niet; iemand die zulke dingen doet, is niet te vertrouwen;
4. een bep. persoon die men niet nader wil of kan noemen : iemand zei eens tegen me enz.; zeker iemand, ook gebruikt als omschrijving van de persoon tot wie of waarover men spreekt: ik ken wel zeker iemand die wel eens op zijn

nagels bijt, d.w.z. dat doe jij ;

5. ter aanduiding van „de mensen” in het alg. of de spreker (en zijn hoorders) in ’t bijzonder: wat maken ze het iemand toch lastig!
6. (pregnant) een persoon van betekenis, die „wat is” : hij is iemand; — in ongunstige zin: dat is me ook iemand, dat is me ook een rare, een lieverd enz.