Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Huid

betekenis & definitie

v. (-en),

1. het natuurlijke bekleedsel van het

menselijk en dierlijk lichaam, dat bovendien verschillende physiologisch belangrijke functies heeft, vel: een zachte, een ruwe, een gevoelige, een blanke, een donkere, een behaarde, een naakte huid; tot op de huid nat worden, door en door nat; — hij heeft een harde (of dikke) huid, (fig.) hij is ongevoelig, hij laat zich de grofste beledigingen toevoegen; — hij deugt in zijn huid niet, 't is een volslagen deugniet; — in iemands huid steken, in zijn plaats, zijn positie zijn ; — hij steekt in een slechte huid, is niet flink gezond; — de huid afstropen, aftrekken, villen; iem. de huid over de oren halen, hem villen, afzetten; met huid en haar, zie Haar; — zijn huid jeukt hem, (fig.) hij verlangt een pak slaag ; — iem. op zijn huid komen, geven, zitten, hem afrossen ; — hij is bang voor zijn huid, beducht voor slaag of voor zijn leven; — er de huid aan wagen, zijn leven wagen; — het met de huid betalen, er zijn leven bij inschieten; zijn huid duur verkopen, zich tot het uiterste verdedigen; — iemand de huid vol schelden, hem met scheldwoorden overladen ; (bij uitbr.) dun bekleedsel van inwendige lichaamsdelen, vgl. slijmhuid;

2. afgestroopt vel van een dier (in de handel alleen huid genoemd als het meer dan 15 kg vers weegt): verse, gezouten, gedroogde huiden; gelooide, getouwde huiden enz.; de handel in huiden en leer; vgl. leeuwen-, runder-, vissenhuid enz.; de huid verkopen, verdelen, voor dat men de beer geschoten heeft, over iets beschikken, eer men het in zijn bezit heeft;

(leerl.) huid in het bloed, ongereinigde huid, zoals die aan de huidenvetter geleverd wordt; — een huid(je), een bewerkte dierenhuid als vloerkleedje of dekkleed gebruikt;

3. (bij vergel.) opperste weefsellaag van plantendelen; soms ook velletje, bekleedsel (b.v. van uien);
4. buitenbekleding van een schip: een schip met koperen huid;
5. buitenlaag in het algemeen : de dingen door de huid zien, tot in het wezen der zaken doordringen.