Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Hol

betekenis & definitie

bn. bw. (-Ier, -st.),

1. inwendig een ledige ruimte hebbende : een holle boom ; een holle berg ; een hol vat; holle buizen ; holle steen, die niet massief is ; — (ontl.) de holle aders, twee grote bloedvaten die uitmonden in de rechter boezem van het hart (venae cavae); — een holle vloer, waar een ruimte onder is ; — (garensp.) los, gerig : een holle draad, waarbij de in elkaar getweernde draden niet stijf en gelijk zijn ineengedraaid ; er zijn holle steeën in dat garen ; — (wev.) hol weefsel, waarbij twee dicht boven elkaar geplaatste kettingen bij ongeluk zijn samengeweven tot een zak- of buisvormig weefsel, of waarbij de patronen van verschillende kettingen zijn aaneengeweven : hol linnen is onsterk; — (bw.) hol zaaien, met grote tussenruimten ;
2. (oneig.) holle kamers, ongezellig groot, waar te weinig meubelen in zijn : een groot hol huis ; — in het holst van de nacht, in het middelste, duisterste deel van de nacht;
3. ledig : een holle maag, buik ; — (fig.) waar niets inzit: holle hoofden, zonder denkbeelden ; — holle woorden, frases, klanken, die niets zeggen;
4. van geluiden: een holle stem, die klinkt alsof ze uit een holle ruimte te voorschijn komt; — (bw.) de grond klinkt hier hol;
5. een inwaarts gebogen oppervlak of verloop vertonend, uitgehold, ingebogen of ingezonken: holle spiegels ; een hol geslepen brilleglas, in het midden dunner;

een holle kling, die overlangs uitgeslepen is; de schaatsen zijn hol geslepen; — (glasbl.) hol glas, gebogen glas, zie Holglas; — (timm.) een holle schaaf, waarbij het blok opgebogen is, ten einde bolle vlakken of rondhout te kunnen afschaven; het holle mes, zie Holmes : — holle gutsen, beitels met ingebogen bek; — de holle hand, die gekromd is, zodat er een holte wordt gevormd : uit de holle hand drinken; (zelfst.) het holle van de hand, van de voet, de ingebogen onderkant ; — holle knieën (van een paard), die naar achteren ingebogen zijn ; — holle wangen, ingevallen, vermagerd; — holle ogen, die diep in de kassen liggen; een holle blik, van ingezonken ogen; — een hol bord, een diep bord; — (van schepen, alleen praedicat.) zes voet hol, diep ; — een holle weg, ravijn, droge gracht ; — een holle akker, laag liggend of met lage gedeelten ;

6. een holle zee, die door de wind opgezweept, onstuimig is, zodat de golfdalen diep zijn ; de zee staat hol ; — (gew.) je hebt het holste water gehad, (tot een zieke) je hebt het ergste, gevaarlijkste al achter de rug ; (fig.) het ging er hol (ruw) over heen ; het zal er hol gaan, het zal er lustig toegaan, er zal hevig getwist worden.