(heelde, heeft geheeld),
I. (overg.)
1. (w. g.) gezond maken, genezen: een wonde helen; — meest fig.: de tijd zal die wonde ivel helen, mettertijd zal het leed wel slijten;
2. heel maken wat stuk is; (bijb.) en hij heelde den altaar des Heren, die verbroken was (1 Kon. IS : 30); — dat is niet te helen, repareren, herstellen ;
II. (onoverg.) gezond worden, beteren: de wond wil niet helen.