Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Halen

betekenis & definitie

(haalde, heeft gehaald),

1. tot zich doen komen, onder zijn bereik brengen door het uitstrekken van de hand (al of niet met een stok, touw enz. voorzien) en het weder intrekken daarvan, trekken: onkruid uit de grond halen; een kopje naar zich toe halen; alles aan zich halen, tot zich, naar zich toe halen, alles inpalmen, zich van alles meester maken; — het schip aan de wal halen; aan een touw halen; haal beter, al stijver (commando aan boord); halen! commando bij het hijsen aan een takel, aan een heiblok, bij het trekken aan het touw van een brandspuit enz.; op het toneel: het gordijn ophalen; in ’t bijz. bij het terugroepen van acteurs; — de halende part, bij takels en blokken, het touw waaraan men trekt; — de bocht uit een kabel halen, hem door trekken strak maken ; — zijn zakdoek uit zijn zak halen ; het brood uit de oven halen, nemen ; — (oneig.) iem. de woorden uit de keel halen, hem tot spreken nopen; met veel moeite iets van hem te weten komen; — hij weet verrukkelijke tonen uit zijn instrument te halen, er aan te ontlokken; — uit woorden of daden van anderen iets halen, er boze bedoelingen aan toedichten; — er uit halen wat er uit te halen is, van een trekdier, een machine : er het uiterste van vergen; — oude koeien uit de sloot halen, halfvergeten, onaangename dingen weder ter sprake brengen; — de dekens over zich heen halen, diep onder de wol kruipen; — (fig.) iem. het vel over de oren halen, meer geld van hem eisen dan billijk is, hem snijden, villen; — de hele boel overhoop halen, alles onderstboven werpen om iets te zoeken; — zich iets (een ziekte, een berisping enz.) op de hals halen, zich iets onaangenaams berokkenen, (ook) zich lastige zaken aantrekken; — zich iets in het hoofd halen, op het denkbeeld komen, (ook) het zich inbeelden, het hoofd bezwaren met de gedachte er aan ; — er van alles bij halen, er allerlei verwijderde bijzonderheden bij te pas brengen (bij vertellen enz.); — een draad door het oog van een naald halen ; er uit zien of men door een ringetje gehaald was, er keurig uitzien; een stuk goed door het water halen, er in uitspoelen ; iets, iem. door de modder halen, bekladden ; iem. er door halen, hem voor de gek houden; een streep, de pen door iets halen, er een streep overheen trekken, het doorschrappen; (fig.) dat haalde, was een lelijke streep door de rekening, deed de berekeningen falen, maakte dat de verwachting of hoop niet werd vervuld ;

adem halen, zie Ademhalen; ook absol. : met moeite en snuivend ademen : wat ligt dat kind te halen; —het halen van de golfslag, de werking van de heffing en daling der golven op kaden, sluizen enz.;

2.iets of iemand van elders naar de plaats van welke men is uitgegaan, soms ook naar een andere plaats brengen: het boek ligt boven, maar ik zal het even gaan halen; water halen, van elders aanbrengen; een aangetekende brief van de post halen ; — (van winkelwaren) kopen: haal even een pond suiker; waar haal jij je koffie? — (van onstoff. zaken) raad halen ; les bij iemand halen, les nemen ; — het is halen en brengen met de zieke, hij gaat nu voordan achteruit; ook van het weer gezegd als het afwisselend regent en weer opklaart;
3.(van personen) naar huis, naar de plaats van bestemming geleiden, afhalen: iemand van de trein halen ; de kinderen uit school halen; iem. met een rijtuig laten halen;
4. (van personen) laten komen, ontbieden: de dokter halen; de politie halen; hulp halen; — een priester halen, om iemands laatste biecht te horen en hem te berechten; — (Zuidn.) iem. halen, een lijk van het sterfhuis afhalen en naar de kerk vergezellen; — tot zich nemen: Onze Lieve Heer heeft hem gehaald, hij is gestorven; — de duivel hale je (vervloeking);
5. zich moeite geven om iets machtig te worden, zich iets (gaan) verschaffen : waar heb je dat vandaan gehaald? waar haalt hij die wijsheid vandaan? (of waar haalt hij het vandaan?), hoe komt hij er aan, (ook) hoe verzint hij het; — buit, roof halen ; hij zorgt wel dat hij er bij is, als er iets te halen valt, als er wat is buit te maken, te krijgen enz.; — bij hen is niets te halen, niets te bemachtigen, zij bezitten niets; — ook met betr. tot kinderen: welke dokter heeft het kind gehaald?, de kraamvrouw verlost ? — dat kind is zwaar gehaald, de bevalling was moeilijk; (fig.) die zaak is met grote moeite tot stand gekomen; — zij heeft tien kinderen gehaald, ter wereld gebracht;
6. ten koste van inspanning of ijver verkrijgen, behalen: de eerste prijs halen, met de hoogste prijs bekroond worden; — een graad, een rang halen, verwerven ; hij heeft de akte voor wiskunde gehaald; nummer één halen, bij een examen de beste zijn; — er is geen eer bij te halen, bij te verwerven ; — (kaartsp.) een slag halen, die maken, nemen, winnen;
7. met inspanning, moeite of gevaar bereiken: ik kon de trein (de boot) nog juist halen, nog juist tijdig genoeg bereiken; loop maar niet zo hard, je haalt het toch niet, je komt toch te laat; — het (al of niet) (kunnen) halen, er kunnen komen, slagen in zijn voornemen; ook: het er levend afbrengen ; — het haalt er niet bij, het komt er niet mee in vergelijking, het is veel minder groot (belangrijk, goed enz.); (zeet.) Oost, Noord, landhalen, oostelijker, noordelijker komen, land in ’t gezicht krijgen; — met betr. tot een tijdstip: beleven, bereiken: ik vrees, dat de zieke de avond niet zal halen, niet tot de avond zal blijven leven; — de oude man heeft zijn pensioentje, en als de kinderen wat helpen, zal hij zijn eindje wel halen, zal hij voor zijn dood geen gebrek lijden;
8. niet met opzet of zijns ondanks verkrijgen of bereiken: een nat pak halen, natte klederen krijgen, nat regenen, (ook) in het water vallen, door het ijs zakken enz ; — hij haalt geen honderd pond, brengt het niet tot dat gewicht, weegt niet zoveel; — de kaas heeft een goede prijs gehaald, men heeft er een flinke prijs voor gemaakt.

< >