Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Groep

betekenis & definitie

v. (-en),

1. (schild.) voorstelling van onderscheidene, tot één harmonisch geheel bijeengeschikte figuren : elk beeld van een groep dient op zich zelf een afgesloten geheel te vormen ; ook als foto: een groep laten maken ; — (beeldh.) twee of meer plastische figuren die te zamen een voorstelling vormen: een groep, voorstellende Amor en Psyche ;
2. (bij uitbr., niet als uitbeelding) geordende, ofwel min of meer schilderachtig geschikte verzameling van personen of (gelijksoortige) zaken : de spelende kinderen vormden een aardige groep ; een groepje pratende heren; zij stonden op een groep bij elkaar; een groep bomen; — ook gezegd van personen die door een bepaald beginsel of een taak bijeengehouden worden; vgl. Oxford-groep, toneelgroep e.d. ; — (in ’t alg.) een verzameling, een troep van bij elkander zijnde of behorende zaken: een groep potvissen ;de groep der Molukken, de bij elkaar gelegen eilanden der Molukken ;
3.(als vakterm) in de aardkunde de benaming voor wegens overeenkomstige eigenschappen of hoedanigheden bijeenbehorende vormingen : de primaire, de secundaire groep, afdeling v. primaire, secundaire vormingen ; (plantk.) benaming voor bijeenbehorende afdelingen van planten: zeker aantal klassen vormen een afdeling, zeker aantal afdelingen een groep ; — (bij het classificeren van volken en talen) kleinere of grotere vereniging van volken of talen die zekere kenmerkende hoedanigheden of eigenaardigheden gemeen hebben: de groep der Maleiers ; de groep der Indo-Germaanse talen ;
4. afdeling, onderdeel van een geheel: de conservatieve groep der liberale partij; — (mil.) verzameling van forten in een verdedigingslinie ; een aantal bijeenstaande manschappen, een onderdeel van een sectie, escouade: de manschappen nummeren en in groepen indelen; — (muz.) aantal noten ter versiering van een melodie.