Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Grijpen

betekenis & definitie

(greep, heeft gegrepen),

1. (iets) met (een snelle beweging van) de zich sluitende hand vatten, met de hand beetpakken, om het vast te houden, te bemachtigen : hij greep het mes, dat op tafel lag ; de wouw schoot neer en greep het kieken ; — naar iets grijpen, de hand er naar uitstrekken (om het te bemachtigen, te hanteren of om zich er aan vast te houden); — voor het grijpen liggen, in overvloed voor de hand liggen; —iets voor het grijpen hebben, (fig.) het zonder de minste moeite kunnen verkrijgen ; — dat bericht is uit de lucht gegrepen, verzonnen; — al wat hij grijpen en vangen kon, nam hij mee, al wat hij maar bemachtigen kon; — de dief werd gegrepen, gevat, gevangen genomen ; — de machinist werd door de machine gegrepen, medegesleurd ;
2. beetpakken om het gevatte tegen te houden: hij .greep het paard bij de teugel; plotseling werd ik bij de arm gegrepen ; — (fig.) het greep hem in de ziel (in het gemoed), deed hem krachtig aan, ontroerde hem diep ; — vastgrijpen, om iets te redden of voor een gevaar te behoeden : het kind was te water gevallen, als ik het niet gegrepen had; de drenkeling greep de balk om zich drijvende te houden ;
3. iets aanvatten, met of zonder een bepaald doel: hij greep zijn hoed en ging heen ; hij greep haar hand en hielddie lange tijd in de zijne ; — naar het zwaard, naar de wapenen grijpen, zich tot de aanval (of tot zelfverdediging) gereedmaken ; — naar de pen grijpen, zich tot schrijven zetten ; — het publiek grijpt begerig naar elke nieuwe roman van deze schrijver, koopt en leest het boek gretig; — in iets grijpen, ergens in tasten, (ook) bij vergissing er de hand in slaan: hij greep in de modder ; — aanraken, beroeren : men kan de regen haast grijpen, gezegd als het zal gaan regenen en de regenwolken zo laag hangen, dat men zou menen ze met de hand te kunnen aanraken;
4.een tastende beweging met hand of arm maken : de kleine begint al te grijpen ; hij greep om zich heen, tastte in het ronde; — (oneig.) de ziekte grijpt steeds verder om zich heen, woekert voort;
5.vatten: het anker grijpt, vat grond : — (van delen van werktuigen) de tanden der raderen van een machine grijpen in elkaar; — (van paarden) bij het draven met de toon van de achterhoef het ijzer of de ballen van de voorvoet raken: het aanslaan, grijpen of in de ijzers slaan kan verschillende kwetsuren veroorzaken ; — (Zuidn.) pakken, houden: inkt grijpt niet op geolied papier; (fig.) noch smeking, noch bedreiging grijpt op zijn hart;
6.in oneig. uitdr. : uit het leven gegrepen, aan de werkelijkheid ontleend: dat tafereeltje is uit het leven gegrepen ;

stand grijpen, (veroud.) ontstaan ; — plaats grijpen, plaats hebben, geschieden: een vreselijke gebeurtenis heeft hier plaats gegrepen;

7. (Zuidn.) (van bier) beginnen te gisten, te gijlen: zohaast het bier gegrepen is, doet men het in tonnen.