Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Greep

betekenis & definitie

(grepen),

I. m.,
1. het grijpen; grijpende beweging, inz. om iets te omvatten, te bemachtigen : met een snelle wending ontging hij de greep der uitgestoken handen ; hij deed een greep in de zak met geld ; — omklemming : in de greep van de vijand ; — een blinde greep, een greep in het wilde, op goed geluk af; evenzo : God zegen de greep ;
2. (muz.) de beweging waarmee men de snaren of toetsen van een speeltuig aanslaat, (ook) bepaalde vingerzetting: daar zijn veel grepen op de luit, die nog nooit gespeeld zijn, (fig.) een schelm weet altijd iets nieuws (een nieuwe kunstgreep) te bedenken ; — in de greep liggen, (van muziekstukken voor de viool enz.) geen bijzondere vingerzetting vereisen;
3.(fig., van onstoff. zaken) onopzettelijke keuze: de redenaar deed slechts hier en daar een greep in de rijke stof, bepaalde zich tot het aanroeren van slechts enkele punten; — een gelukkige greep, een keuze die bijval vindt; — een greep in het hart, een wending zo treffend, dat zij de lezer aangrijpt; — met een (of een enkele) greep, zonder mistasten, terstond;
4.wijze van aangrijpen, manier van aanvatten, b.v. van het hanteren van het geweer, het manuaal, de handgrepen: de greep leren ; — (gymn.) wijze van aanvatten van werktuigen ; vgl. bovengreep, ondergreep ;
5.vaardigheid, handigheid: de greep van iets weten (of weg hebben), de handigheid beet hebben, het kunstje kennen; — 't is maar een greep, een gauwigheid, een slag ; — iemand de greep afzien, de kunst af kijken; — listige grepen, loze streken;

II. v.,

1. de hoeveelheid die men in één keer kan grijpen; neem maar een goede greep ; een greep hooi; een greepje zout, zoveel als men tussen duim en vinger kan vatten; — (boekdr.) enige door de zetter te gelijk opgevatte regels die uit de zethaak of van de galei worden opgenomen;
2.datgene waarbij men een voonverp aanvat, handvat, heft enz.: de greep van een zeis, van een beitel; de greep van een degen, het gevest; — de greep van een geweer, het dunne gedeelte van de kolf; — de greep van een pistool, dat gedeelte van de lade dat in de hand komt ;
3.benaming van allerlei gereedschap waarmede men grijpt of steekt; meertandige vork : men heeft grepen met drie en met vier tanden ; — (gew\) van de gavel in de greep lopen, van kwaad tot erger komen ; — (Zuidn.) roostervormige schop der brouwers om het mout in de brouwkuip om te roeren ; — roostervormige schop der stratenmakers; — (in veenderijen) eigenaardige turfschop voor het diepspitten.

< >