Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Elkander

betekenis & definitie

in gesproken taal Elkaar, Mekaar, veroud en gew. Malkander, wederk. vn.,

1. zonder vz., om uit te drukken dat van twree of meer personen ieder op gelijke wijze tegenover de andere handelt, de een de ander, wederkerig : in de trein groeten de mensen

elkander niet; in elkanders gezelschap; men vliegt elkander in het haar.

2. met voorzetsels verbonden om een onderlinge aaneensluiting of een snelle opeenvolging uit te drukken: wij wandelden met elkander, samen; — zij zitten naast elkander, de een naast de ander; — twee touwen aan elkander binden; de landerijen grenzen aan elkander;twee personen aan elkander brengen, maken dat ze twist krijgen of handgemeen worden; — zij maakt het achter elkander af, zonder rustpoos tussen het een en het ander; — bij elkander komen, samenkomen, elkander bezoeken, omgang hebben; bij elkaar, het een bij het ander opgeteld; de boel goed bij elkaar houden, niet verkwistend zijn; hij heeft ze niet allemaal bij elkaar, hij is niet goed snik; — de kinderen lopen door elkander, niet in rijen; de betekenissen van dat woord, ook die woorden lopen door elkander, zijn niet streng te onderscheiden; — alles ligt door elkander, overhoop, niet uitgezocht; — door elkander genomen, gemiddeld, niet elk afzonderlijk; — hoe zit dat in elkander? hoe is het samengesteld, (ook) wat is nu het rechte van die zaak? in elkaar, ineengedrongen; in elkaar zakken, zich niet staande kunnen houden, neervallen; — zij moeten dat onder elkander maar uitmaken, onderling; — op elkander liggen, het een boven op het ander; op elkander gepakt zijn als haringen in een ton, zeer ongemakkelijk zitten, liggen op een veel te kleine plaats; loodrecht op elkaar staan, ten opzichte van elkaar; — twee personen tegen elkander opzetten; — voor elkaar lopen, de een voor de ander; — iets niet voor elkaar kunnen krijgen, brengen, het niet in orde kunnen brengen, niet kunnen klaar spelen; — met de armen over elkander zitten, ze gekruist over de borst hebben, oneig.: niets doen; ook als teken van moedeloosheid; vgl. Aaneen, Achtereen, Bijeen, Dooreen, Ineen, Ondereen.