Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Eigen

betekenis & definitie

I. bn. (alleen in de bet. 6. verbogen),

1. niet aan anderen, doch aan ons zelf toebehorende: die boer woont op een eigen plaats ; uit eigen zak iets betalen, kopen ; eigen haard is goud waard ; eigen equipage, niet gehuurd ; — in eigen persoon, versterking van: zelf; een eigen zelfstandig naamwoord (in tegenstelling met gemeen), eigennaam; — een werk onder eigen beheer uitvoeren, onder beheer van de directie, d.w.z. dat het werk niet wordt aanbesteed ; — hij heeft dat meisje als eigen kind aangenomen, voedt het op, alsof het zijn kind was; — op eigen wieken drijven, zelfstandig zijn, (ook) geheel in zijn behoeften kunnen voorzien; — soms als versterking van het bezittelijk voornaamwoord om nadrukkelijk anderen uit te sluiten: zijn eigen vrouw; zijn eigen vader; zijn eigen kinderen, ook in de zin van: niet aangetrouwd ; — ik zag het met eigen ogen, heb het zelf gezien; — bemoei u met uw eigen zaken, niet met die van een ander ; — ik heb het uit zijn eigen mond, van hem zelf; het waren zijn eigen woorden;
2. om een anderen uitsluitende betrekking aan te geven die niet onder het begrip bezit valt: uitgaande van, behorende bij, betrekking hebbend op iem. zelf: naar eigen goeddunken ; een eigen brief van Huygens ; — spr.: eigen lof stinkt, het past niet dat iemand zichzelf prijst ; — zijn eigen heer en meester zijn, van niemand afhankelijk ; — zijn eigen dood sterven, een natuurlijke dood hebben ; — zijn eigen zaken drijven, niet voor rekening enz. van een ander ; — op eigen gezag, op eigen houtje, zonder instructie of bevel van anderen ; — sommige fabrieken hebben een eigen electrische krachtinstallatie, een die erbij behoort, niet de publieke; — in eigen kring, zonder vreemden;
3. eigen zijn aan, een eigenschap, kenmerk of eigenaardigheid zijn van: het is de vogels eigen te vliegen; met de hem eigen vriendelijkheid; zich iets eigen maken, het verwerven, t.w. kennis of een kundigheid; zich een vreemde taal eigen maken, haar leren, zodat men zich er in uitdrukken kan; — zich een schrijver eigen maken, hem grondig bestuderen;
4. bloed- of aanverwant : eigen gaat voor vreemd;
5. vertrouwd of vertrouwelijk: met iem. eigen zijn; zich met iem. eigen maken ; — het Frans is hem geheel eigen, hij beheerst het volkomen; — ergens eigen zijn, zich er thuis gevoelen ;
6. de-, hetzelfde: op het eigen uur; in die eigen stad; de eigen kogel doorboorde beiden; — zegsw.: er is meer gelijk dan eigen, gelijkenis bewijst nog geen identiteit; — in volkst. ook in de overtr. trap : dat is de eigenste man ; — met eigen geld uitkomen (uit de loterij), zonder winst of verlies ;
7. (Zuidn.) gesloten, niet gemeenzaam, niet spraakzaam;

II. zn. o.,

1. met het bez. vn. : mijn, zijn eigen, mij-, hemzelf, ook als reflexief, mij, zich (niet beschaafd): ik stond mijn eigen te wassen; hij zag z'n eigen in de spiegel; — uit zijn eigen iets doen, uit eigen beweging, zonder door anderen aangespoord te zijn; — sla je eigen, sla je zelf; — op zijn eigen gaan wonen, op zichzelf, niet bij anderen in ; — met zijn eigen geen weg, geen raad weten, zeer opgewonden, zenuwachtig zijn, zich niet kunnen beheersen; ik was mijn eigen niet meer, buiten mijzelf; iets hij zijn eigen nagaan, bij zichzelf;
2. (ook eigens) zelf, in eigenpersoon : ik heb het hem eigens gezeid; — van eigen(s), vanzelf, natuurlijk;
3. eigendom, bezit: vrijboeren op ons eigen, op onze eigen grond.