Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Drinken

betekenis & definitie

I. (dronk, heeft gedronken),

1. door de mond enige vloeistof tot zich nemen: hij drinkt een glas wijn ; als men verhit is, moet men niet te veel drinken ; de giftbeker drinken; zonder uitgedrukt object: wie dorst heeft wil drinken; uit een kopje drinken ; — iemands gezondheid of op de gezondheid van iem. drinken, hem onder het drinken van een glas wijn enz. gezondheid toewensen; op de goede uitslag drinken; — (fig.) hij kan zijn bloed wel drinken, is zijn gezworen vijand;
2. in ’t bijz.: alcoholhoudende vloeistoffen drinken: er werd sterk gedronken; drinken als een Tempelier, als een beest, een koe, een snoek, een zwijn, een spons enz., overmatig, buitensporig drinken; — iem. van de bank, onder tafel drinken, hem zoveel laten drinken (terwijl men zelf meedrinkt) dat hij van zijn plaats rolt, het van hem winnen in het drinken;
3. praegnant: hij drinkt, is aan de drank;
4. bij verg.: (een vloeistof) opzuigen: de spons drinkt het water; de grond dronk de regen; de aarde dro?ik het bloed van landzaat en van vreemden; de planten drinken met haar wortels ;
5. bij uitbr. : door ademen met de zintuigen of met de geest in zich opnemen: frisse lucht met volle teugen drinken ; zich aan schoonheid zat drinken.

II. zn. o., hoeveelheid van een vloeistof die men tot zich neemt: de zieke vroeg om drinken; heb je de hond. drinken gegeven? — wat men te drinken krijgt: het eten en drinken is er goed.