Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Draaien

betekenis & definitie

(draaide, heeft en is gedraaid),

I. overg.,
1. een wentelende beweging om een as doen uitvoeren: draai het rad naar rechts ; het spit draaien; (fig.) iem. een rad voor de ogen draaien, hem door een valse voorstelling misleiden, beletten de waarheid te zien;
2. een andere richting geven aan, wenden: draai de spiegel eens een beetje; wederk.: zich naar iem. (toe) draaien;

oneig. : hoe men de zaak ook draait, uit welk oogpunt men ze ook beschouwt;

3. door draaien doen ontstaan, draaiend bewerken: pillen, touw draaien, vezels draaiend in elkaar brengen, zodat er touw ontstaat; — ivoor, hout, metaal draaien, voorwerpen daarvan op de draaibank laten wentelen en dan met een beitel die er tegen gedrukt wordt, bewerken : in hout, been gedraaid; knopen draaien; gedraaid werk ; — een film draaien, (draaiend) opnemen, ofwel vertonen ; — iem. een loer draaien, hem een poets bakken ;
4. door draaien in zekere toestand brengen : een deur op slot draaien ; een lamp hoger draaien; met een plaatsbep. : gehakt door een molen draaien; winden: een touwtje om zijn vingers draaien;
5. iets draaien, op een draaibord winnen; — een nummer draaien, t.w. op een automatisch telefoontoestel;

II. onoverg.,

1. zich rond een as of een middelpunt bewegen: draaiende raderen; de wieken draaien; op of om een spil draaien; fig.: alles draait om hem, hij is het middelpunt, van hem hangt alles af of naar hem richten allen zich; — een kring beschrijven: de aarde draait om de zon; om de hete brij draaien; — oneig. en als subjectief verschijnsel: alles draait mij; mijn hoofd draait mij; het begint mij te draaien, ik word misselijk of duizelig; — de boel laten draaien, zich nergens om bekommeren; — dat draait, werkt, is aan de gang; — (Zuidn.) zijn winkel draait niet, neemt niet op, gaat niet;
2. wenden : hier is geen ruimte om (met de wagen) te draaien; een schip draaien; — met het hoofd, met de ogen draaien ;de weg draait een weinig, maakt een bocht; — de wind is gedraaid, waait uit een andere hoek; — hij draait met alle winden, verandert telkens van partij, van inzicht (naar zijn voordeel meebrengt); (van vrouwen) de heupen heen en weer wiegen, fier over de straat gaan; — (gew.) een weinig gedraaid zijn, dronken zijn;
3. weifelend, doelloos of herhaaldelijk heen en weer lopen, om iets of iem. heen gaan: hij draaide voortdurend om het huis, om mij heen; hij liep maar te draaien ; — niet recht durven beginnen, talmen: wat draait ge weer ; (Zuidn.) rond de pot draaien, de kern der zaak niet aandurven;
4. niet voor de waarheid uitkomen, met leugens en bedrog omgaan: wees voorzichtig met hem, hij draait; — met passieve bet.: die film draait nog, wordt nog vertoond.