Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

David

betekenis & definitie

(bijb.; eig. „de geliefde”), de herdersknaap die Goliath doodde met een steenworp en later koning van het Israëlietische volk werd ; — in verschillende spreekwijzen: toen David oud werd, maakte hij psalmen, van iem. gezegd die vroeger losbandig leefde en nu zeer vroom, kalm is ; — ’t is een man als David, had hij maar een harp, een ferme man wie ongelukkigerwijze de middelen om te helpen ontbreken; — als David zijn volk telde, verloor hij de strijd, onder het spelen moet men de winst niet berekenen, de kans kan keren; — klein Davidje, klein maar dapper.