Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Dansen

betekenis & definitie

(danste, heeft gedanst), 1. (onoverg.) benen, voeten en lichaam op de maat van muziek of zang bewegen in vaste, telkens herhaalde figuren, bij wijze van vermaak, als voorstelling of als ceremonie; — (overg.) een menuet, een quadrille dansen ; — (fig.) naar iemands pijpen dansen, in alles zijn wil doen; (spr.) als de kat van huis is, dansen de muizen, als er geen toezicht is, springen de leerlingen, de bedienden enz. uit de band; —te dom om voor cle duivel te dansen, zeer dom ; — daar had je de poppen aan ’t dansen, daar kwamen de onaangename gevolgen, toen kwam er herrie, ruzie; — men kon er op de koppen wel dansen, het was er stampvol; —(Zuidn.) mijn beer begint te dansen, ik krijg honger ;

2. (oneig.) springen, huppelen: hij danste de kamer uit; hij begon te dansen van vreugde; de muggen dansen in de zonneschijn; dansende lichtstralen, lichtstralen die bij afwisseling op een punt vallen;
3. (fig.) *t geld danste in mijn zak, ik had grote lust het uit te geven ; — zich onregelmatig op en neer bewegen: 't schip danst op de golven; de letters dansen voor mijn ogen;
4. als techn. term : terugspringen (van een heipaal); — (drukk.) niet in de fijn staan, van letters.