Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Dagwerk

betekenis & definitie

o.,

1. werk dat men geregeld iedere dag doet.
2. dagtaak; arbeid die men in één dag afwerkt; — (flg.) mijn dagwerk is volbracht, mijn levensdraad is afgesponnen.
3. werk dat een hele dag vult: als men alle misslagen van die man wou optellen, had men wel dagwerk; daarvan zou ik wel dagwerk willen hebben, dat zou ik wel een hele dag willen doen.
4. (gew.) zoveel werk als in één dag (door één persoon of een ploeg arbeiders) verricht wordt, als maat: 700 stuks pannen, 8400 stenen, 6000—12000 turven (verschillend naar de plaats en de soort van turf); maat voor weiland (ca. 0,4 ha).
5. werk dat overdag verricht wordt.