Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Dagelijks

betekenis & definitie

I. bw., alle dag, op, met iedere dag: ik spreek hem dagelijks; dagelijks terugkerende dingen; 't wordt nog dagelijks erger, van dag tot dag, voortdurend.

II. bn., van, voor iedere dag, iedere dag terugkomend: de dagelijkse omwenteling der aarde om haar as; zijn dagelijkse bezigheden; — dat is dagelijks werk voor hem, dat doet hij alle dag, daar is hij mee vertrouwd; — geef ons heden ons dagelijks brood, wat wij elke dag nodig hebben; — ik heb mijn (het) dagelijks brood, een matig, maar voldoend bestaan; — met verzwakte bet.: gewoon, geregeld: de dagelijkse zorgen; in het dagelijks leven, zoals men het geregeld kan waarnemen; de taal van het dagelijks leven, de gewone, niet verheven of poëtische taal; — dagelijks bestuur, dat deel van een besturend lichaam dat met de leiding der gewone, dagelijkse aangelegenheden belast is, b.v. burgemeester en wethouders ener gemeente; — dagelijks opzichter, de opzichter die voortdurend toezicht houdt op het werk; — dagelijkse zonde, kleine zonde, zoals er dagelijks begaan worden.