Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Brood

betekenis & definitie

o. (...broden),

1. als stofn. : het bekende dagelijkse voedsel uit gekneed, gerezen en gebakken, deeg (van meel met water of melk) bestaande; soms : ’t reeds gekneed, maar nog niet gebakken deeg : ’t brood in de oven doen ; — wit brood, van gebuild meel; — bruin brood, (gew. grof of grauw brood) van ongebuild tarwemeel ; (gew. ook) roggebrood ; — zuur brood ; zoet brood ; geraspt brood; geroosterd brood; vers of nieuwbakken brood; oudbakken of belegen brood; — eigengebakken,. huisbakken brood, dat men in zijn huis bakt; gerezen brood, brood met gist; — ongezuurd brood, Jodcn-Paasbrood, zeer plat uitgerold en in. ronde vorm gebakken deeg, den Israëlieten op hun Paasfeest tot spijs voor-geschreven; — (Zuidn.) Grieks brood, zeker bros gebak;

vgl. blik-, knip-, krop-, krentenbrood; paas-, kerstbrood ; — droog brood eten, zonder boter, (bij uitbr.) zeer schraalleven ; (zegsw.) daar is geen droog brood mee te verdienen ; ― op water en brood zitten, niets anders te eten krijgen<in de gevangenis); — het beste brood legt men voor het venster, zijn beste beentje zet men voor; — hij maakte hem uit, dat de honden er geen brood van zouden vreten, op verregaand ruwe wijze; — kruimeltjes is ook brood, men mag het kleine niet verachten; — voor iemand het brood uit de mond sparen, zich voor hem het nodigste ontzeggen; — zo nodig als brood, hoognodig, onmisbaar ; ― zo mager als brood, zeer mager; — altijd brood te eten verdriet ook, afwisseling doet leven; — men sluit geen brood voor vrienden weg, altijd zijn zij welkom ; — (dich .) het brood der smarte, dat met tranen gegeten wordt; — het brood der schande eten, op onterende "wijze aan de kost moeten komen; — gij weet niet hoe zuur het brood der armoede smaakt, gij weet het bittere van de armoede niet; — (bijb.) de mens zal bij brood alleen niet leven {Matth. 4 : 4), heeft ook hogere dan aardse behoef en; — zich de kaas niet van het brood laten eten, op zijn rechten staan, zich niet alles laten welgevallen; — zijn achterste met boter smeren en droog brood eten, veel aan de mode offeren en daardoor zich in het nodige levensonderhoud moeten beperken; — hij kan meer dan brood eten, hij is in veel zaken bedreven; — dat is gesneden brood, dat is een gemakkelijke, licht uitvoerbare zaak ;

er is overal brood voor mij gebakken, ik kan overal .aan de kost komen, mijn bestaan vinden; — (spr.) bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien, bij gemis .aan degelijk voedsel eet men wat eigenlijk niet bestemd is om zich er mee te voeden;

2. (bij uitbr.) kost, levensonderhoud: zijn brood verdienen, de kost winnen; — spr.: -nood zoekt brood, door de nood gedrongen pakt men van alles aan; — (Zuidn.) .zijn broodje is gebakken, zijn fortuin is gemaakt, voor de toekomst hoeft hij niet meer te zorgen; — God schenke mij mijn dagelijks brood, mijn dagelijks onderhoud; — brood op de plank hebben, genoeg hebben om van te leven; ook van een vrouw gezegd die zware borsten heeft; — geen brood hebben, straatarm zijn, niets verdienen ; — hij is goed voor zijn brood, kan best zijn eigen kost verdienen; — eigen brood bovenal, zelfstandigheid en onafhankelijkheid zijn alles waard; — ongegund brood, /wordt het meest gegoten, ieder heeft van afgunst te lijden; ― dit is mijn stuk brood, daarmede win ik de kost; iem. aan een stuk brood helpen, iem. een betrekking, werk bezorgen waarvan hij leven kan; — hij heeft goed zijn brood, hij heeft een ruim bestaan; — de kunst gaat om brood, lijdt armoede; — des enen dood is des anderen brood, des enen ongeluk is des anderen geluk; — ’t geschiedt om den brode, om er de kost mee te verdienen, niet uit lust of liefde; — het is een zuur stukje brood, met moeite wordt er nog weinig mee verdiend; — iem. het brood uit de mond nemen, stoten, hem zijn broodwinning ontnemen, onderkruipen; — wiens brood ik eet, diens woord ik spreek, ik sta aan de zijde van hem die mij mijn onderhoud geeft; — het is een profeet, die brood eet, een valse profeet, (scherts.) een profeet om er een op toe te geven;
3. (fig.) de hoop is het brood der ellendigen, zij leven van de hoop op een betere tijd; — het brood des levens, het voedsel der ziel (Joh. 6 : 35); — het hemels brood, het woord Gods; — (R.-K.) het brood der Engelen, de H. Hostie;
4. (als voorwerpsn.) een in een bep. vorm geknede en gebakken hoeveelheid brooddeeg : twee broden en een halfje; zie ook Broodje;
5. (collect.) de hoeveelheid brood die iem. of enige personen als maaltijd eten: bij mijn brood drink ik melk; wij nemen ons brood mee; — dat krijg ik alle dagen op mijn brood, dat verwijt men mij iedere dag ; hij geeft, legt, smeert het hem op zijn brood, verwijt het hem, pepert het hem in ;
6. in een bep. vorm gegoten of geperste hoeveelheid van sommige stoffen, als zeep, metaal, salpeter : een brood ruiker, kegelvormig stuk witte suiker; — ook zeker gewich : een brood klei, 25 kg boetseerklei.