Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Breken

betekenis & definitie

(brak, heeft en is gebroken),

I. overg. : iets dat een zekere mate van hardheid bezit met meer of minder geweld (met de handen, met een werktuig, doorslaan, stoten enz.) in stukken vaneenscheiden,
1. (met opzet) klem- of stukmaken, verbrijzelen, vernielen: speculaas in stukken breken; een fles, een stok breken ; (spr. Zuidn.) het geld met hamers breken, moedwillig veel geld verteren, geld stuk slaan; — (spr.) men kan geen ijzer met huilden breken, het onmogelijke kan men niet doen; — hij is altijd aan het maken en breken, laat allerlei veranderingen, vertimmeringen aan zijn huis aanbrengen, (ook) haalt veel overhoop, geeft onnodig geld uit; — (van schepen) uiteen doen vallen : de storm brak het schip ; — iem. de benen breken, met geweld stukslaan (veel als bedreiging geuit); — iem. de hals breken, hem een der halswervels ontwrichten, bij uitbr. hem ombrengen ; (fig.) dat heelt hem de hals gebroken, zijn ongeluk of ondergang bewerkt, of volkomen gemaakt; een fles de hals breken, ze uitdrinken ; veel woorden de hals breken, verspillen ; — ik kan hem wel maken en breken, ben verre zijn meerdere (in lichaamskracht, in ontwikkeling, in gevatheid enz.);
2. onwillens, onopzettelijk oorzaak zijn dat iets stukgaat : de meid heeft deze maand al heel wat gebroken ; hij heeft zijn been gebroken ; — breek je nek, verwensing ; (zeew.) het tij breekt de hals, kentert; — (spr.) potje breken, potje betalen, wie schade veroorzaakt, moet ze vergoeden ; ergens een potje gebroken hebben, iets misdaan hebben; bij iem. een potje mogen breken, bij hem zeer in de gunst staan; — (Zuidn.) breek u in drieën, ga zitten; —

(fig.) dit breekt mij het hart, ontroert, treft mij innig, of wel: stort mij in diepe kommer; — de ontberingen hebben zijn krachten gebroken, hem geheel uitgeput; ook van morele kracht gezegd; zie ook Gebroken ; — iem. het hoofd breken, hem gedurig lastig vallen met moeilijke of onbeduidende verzoeken of vragen ; — daar kan ik mijn hoofd niet mee breken, daarover kan ik mij niet moeilijk, niet druk maken, mij niet om bekommeren ; — te niet doen, een eind maken aan: de tovermacht breken; verzet breken ; het stilzwijgen breken, verbreken ; — (spr.) nood breekt wet, in de nood wordt het ongeoorloofde geoorloofd ; — iemands wil, koppigheid breken, bedwingen;

3. iets in stukken verdelen, de eenheid en de samenhang van iets met meer of minder geweld opheffen: het brood breken, bij ’t Avondmaal ronddelen; — een oliemolen breekt jaarlijks ongeveer 200 last, kan zoveel zaad per jaar verwerken; — het geboortevlies breken, met vinger en duim scheuren; — de galblaas breken, eig. van vis. ; (fig.) een zaak bederven, in de war sturen; de aardkluiten met de eg breken, fijnmaken; — land breken, omploegen of omspitten; een weide breken, tot bouwland omploegen; — grond breken ten behoeve der bedijking, vergraven, er zoden en aarde uit spitten; — (zeew.) de grond breken, het anker lichten, zeil gaan; — een lading breken, een deel van een volle lading lossen;
4. een afsluiting, omsluiting stukmaken, verwijderen: het zegel breken, verbreken, verwijderen; — het ijs breken, met een ijsbreker enz.; (fig.) de stijfheid en gedwongenheid tussen enige bijeenzijnde of met elkaar verkerende personen doen ophouden, door een losse of vertrouwelijke toon aan te slaan; (ook) een pijnlijk stilzwijgen doen ophouden door een noodzakelijk maar netelig gesprek te beginnen;
5. (fig.) een regel of wet enz. schenden; de Sabbat, de vasten breken, niet eerbiedigen ; — (w. g.) de huisvrede breken, door een daad van geweld er inbreuk op maken ; — zijn belofte, zijn woord breken, niet houden, niet nakomen; — de huwelijkstrouw breken, ontrouw worden; — koop breken, ongedaan maken;
6. een deel van een geheel afzonderen, scheiden: een bloem van de stengel breken; — hout breken, dode takken voor brandhout af breken; — takken breken op zoveel ogen, ze zó hoog afbreken, dat er zoveel ogen of knoppen aan blijven; — (tabaksbouw) het zandgoed breken, plukken ; — oneig. : iem. iets uit de handen breken, het met moeite en geweld ontrukken; — er een uurtje uit breken, uit drukke bezigheden afzonderen ; — zich baan breken, zich met moeite en geweld een doortocht banen ; (van zaken) ingang vinden, in zwang komen;
7. de onveranderde duur of voortgang van iets storen, onderbreken: (zeew.) bocht breken, het ankertouw met bochten leggen; — (techn.) hoeken, kanten breken, de scherpe kanten met schaaf, zaag of vijl wegnemen, ze afschuinen ; — (nat.) (stralen) van richting doen veranderen : glas breekt het. licht sterker dan water en water sterker dan lucht; brekend oppervlak, de grens tussen twee doorschijnende stoffen, waar de lichtstralen gebroken worden ; brekende hoek, de hoek tussen de twee zijvlakken van een prisma ; — van bewegingen: ten dele onderscheppen, stuiten : zijn val werd gebroken, onder het vallen stiet hij op enig voorwerp, zodat hij niet met zo’n vaart neerkwam ; — het spel breken, doen staken ; de slaap breken, storen ; — de lange duur, de eentonigheid van een tijdsverloop onderbreken, er afwisseling in brengen: dat breekt de avond; zo’n vrije dag breekt de weck ; op zo’n gebroken middag kwam van werken toch niets ;
8. de eenheid van iets verstoren; (Zuidn.) mengen met: men breekt olijfolie met mosterd en azijn om sausen te maken;suiker breekt het zuur van de citroen, maakt het minder scherp ; — niets brak de eentonigheid, niets hief de eentonigheid voor een poos op ; — die uitweidingen breken de eenheid van het opstel ; — het stel is gebroken, het geheel is geschonden ; — (herald.) een stamwapen veranderen door wijziging in de kleuren of de figuren ;

II. onoverg.: op gewelddadige wijze vaneengescheiden worden, de samenhang verliezen, stukgaan, in stukken vallen : de ruit breekt; glas breekt licht; het ijs brak; het touw is gebroken; — brekende waar, breekbaar ; — de vruchtbomen zijn brekende vol, hangen zo vol vruchten, dat de takken dreigen te breken ; — (Zuidn.) de pot is gebroken, er is niets meer aan te doen, het onheil is geschied ; — door, uit iets breken, zich met geweld een weg banen; — de aardappelen beginnen al te breken, bloemig te worden; — de lucht breekt, de wolken scheiden zich;de zon breekt door de wolken, begint te schijnen, komt te voorschijn; — de golven breken tegen de kust, spatten uiteen; — de ogen zijn gebroken, het hoornvlies is dof geworden, ,,’t licht is er uit” (bij stervenden); — zijn hart brak, fig. ter aanduiding van overstelpende smart, ook van sterk medelijden; — (nat.) de stralen breken in ’t water, veranderen van richting; — met iem. breken, de betrekkingen van liefde of vriendschap met iem. afsnijden, in twist of vijandschap met iem. geraken;met een gewoonte breken, ze afleggen; — met de oude sleur breken, ze niet langer volgen.