Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Boter

betekenis & definitie

v. (-s), 1. voedingsstof bestaande uit verdikte vetdelen van melk of room, door karnen verkregen, daarna gekneed al of niet met toevoeging van zout en kleursel: boter karnen, door karnen verkrijgen; boter bouwen, kneden, kuipen, maken, wassen, zouten; — de boter afhalen, uit de karn nemen; — (gew.) de boter is groot, de boterdelen zijn door het karnen uit de melk afgescheiden; (gew. gemeenz.) zij heeft de boter groot, is hoogst zwanger; — gras-, wei-, hooiboter, boter verkregen uit de melk, wanneer de koeien in de wei lopen resp. op stal staan; — kluiten-, vaat(vat-), potjesboter, in kluiten of in vaten, potjes in de handel gebracht; vgl. inmaakboter; — zoete boter, ongezouten boter; vgl. nog keuken-, tafelbotcr; koe-, schapenboter; —

zegsw. en spr. : boter bij de vis, geld bij de waar; — ’t is zo mals als boter, bijzonder mals ; — het smelt als boter in de mond, gezegd van iets dat zacht, sappig en lekker is; — zo glad (het glijdt) als boter, zeer glad; — ‘t is boter aan de galg (gesmeerd), ’t zijn vruchteloze pogingen om iemand te verbeteren, (ook) vergeefse moeite voor een verloren zaak ; — wie boter op zijn hoofd heeft, moet niet in de zon lopen, wie iets op zijn geweten heeft, houde zich schuil ; — hij laat zich de boter niet van zijn brood nemen, men kan hem niet foppen, hij geeft niet licht toe ; — dat is een klontje boter uit de pap, daardoor worden de inkomsten belangrijk minder ; — de boter alleen op zijn koek willen hebben, alleen al de voordelen vullen genieten ; — een haar in de boter zoeken, op vermeende verkeerdheden vitten ; daar is een haartje in de boter, daar hapert iets aan de zaak ; — met zijn neus in de boter vallen, het gelukkig treffen, een buitenkansje hebben, een onverwacht voordeel genieten ; — (gemeenz.) met zijn gat in de boter vallen, iemand met geld trouwen ; (ook) het materieel zeer goed treffen ; — hij braadt er de boter uit, hij neemt het er van, hij blijft langer uit logeren dan aanvankelijk toegestaan was (e.d.) ; — zo week als boter zijn, zich gemakkelijk laten leiden, (gew.) zich door de omstandigheden laten beheersen ; (ook) lusteloos, moe zijn ; — (gemeenz.) ’t is botertje boven, gezegd wanneer een met boter besmeerde boterham op de grond valt en de bovenzijde boven ligt, vand. flg. ; ’t is een buitenkansje, (ook) 't is er vetpot ; — het is botertje tot de boom, het is zoals men het maar wensen kan, (ook) ze zijn buitengewoon lief, vriendelijk voor elkaar ; — botertje spelen, boter-melk-kaas, zeker kinderspelletje ; — (gew.) boter en brood gooien, een steentje over het water keilen, kiskassen ; — een brokje boter in zure saus, een kleine troost in een groot leed, een verzachting (vaak iron.) ; — (Zuidn.) het is vuile boter en vuile vis, geen van beide verdienen genoemd ;

2. op boter gelijkend vet uit plantendelen getrokken : vgl. planten-, kokos-, cacaoboter ;
3. (scheik.) vroegere benaming van enkele chloriden, zoals boter van arsenicum, een olieachtige vloeistof ; boter van spiesglans, een kleurloze, weke massa, vroeger als geneesmiddel, thans tot het bruineren van geweerlopen aangewend ; boter van tin ; blauwe boter, kwikzalf.