Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Bollen

betekenis & definitie

I. (bolde, heeft gebold), (gew.)

1. naar de stier verlangen, tochtig zijn (van koeien); een koe laten bollen, naar de stier brengen; ook die stier bolt niet meer, springt niet meer; vgl. stieren.
2. huilen.

II. (bolde, heeft gebold),

1. een werpspel spelen; alleen nog gew., inz. in Z.-Ned.: een krullebol (vloerbol of langebol) naar een houten paal (stek) rollen (in een halve ellips) of rechtuit schieten (zodat een op de stek liggende bol van de tegenpartij weggeschoven wordt); de partij wier bollen het naast bij de stek komen te liggen, wint het; bij het vloeren is het doel een in de vloer gespijkerde cent; — (fig.) te kort bollen, zijn doel missen; (ook) het onderspit delven.
2. (Zuidn.) rollen: die kar bolt goed; — ook: die steenweg bolt goed, als men er gemakkelijk over rijden kan.
3. bol gaan staan: die muur bolt; — zich tot een bol vormen (Zuidn.): de spijs bolde in zijn mond.
4. vlas van de zaadbollen ontdoen, repelen; —
5. runderen doden door ze met een hamer voor de kop te slaan, ook dollen of kollen genoemd; ook wel van ander.e dieren gezegd.
6. (veend.) bollejagen.
7. (veroud.) aanstaan, bevallen: dat bolde hem bij zonder; dat zal hem wel bollen, wel naar de zin zijn; — wat bolt het mij, wat kan mij het schelen; — ’t wil er niet bollen, gelukken, slagen; — dat zal hier ook niet bollen, in goede aarde vallen.

< >