Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Bol

betekenis & definitie

I. m. (-len),

1. (meetk.) lichaam, begrensd door een gebogen oppervlak waarvan alle punten even ver verwijderd zijn van één punt, het middelpunt, in het midden
v. h. lichaam; — (nat.) Maagdenburger halve bollen, twee luchtdicht op elkander sluitende holle halve bollen, die men luchtledig kan maken; —
2. hemellichaam, bepaaldelijk onze aarde, vgl. aardbol;
3. voorwerp van min of meer ronde gedaante, bal;

de brede zijde van een hamer; — kop of kroon van een nagelijzer; — ronde platte kink aan een schakelnet; — (gew.) ronde nap; — prop; — kluwen: een bol garen, sajet; — (wapenk.) rond schijfje in een wapen, doorgaans plat, doch in de Duitse wapens meestal geschaduwd en bolvormig; — bal, bij verschillende werpspelen in gebruik, inz. de houten schijf bij het bolspel in Z.-Ned. (zie Bollen).

4. rond brood, inz. van onderen plat, van boven bol, wittebrood (soms tgov. brood, roggebrood);

warme bollen eten, (gew.) des Zaterdags warm brood eten; — bollen blazen, op de horen blazen ten teken dat de bollen gereed zijn; — allerlei kleine ronde gebakjes: zoute bolletjes; krentebollen; Berliner bollen.

5. (plantk.) bolvormig gezwollen, vlezig, onderaards plantendeel als bewaarplaats van voedsel, in schubben of rokken opgehoopt; gerokte bol, waarbij de delen elkander geheel omgeven; geschubde bol, waarbij zij dit slechts ten dele doen; toevallige bol, aan de bovenaardse stengel, waar men gewoon is een bladknop of bloem aan te treffen; — inz. bloembol, en vand. de gehele bloemdragende bolplant: in 't voorjaar staan de bollen bij Haarlem in bloei; naar de bollen; — (gew.) blauwe korenbloem; — vrucht of zaaddoos van sommige planten, inz. maankop, en vlas.
6. dik ondereind van een rijsbos (meestal pol); — (houth.) boomstam.
7. het min of meer ronde bovenste gedeelte van een hoed dat de schedel omsluit: een hoge, platte ronde bol.
8. hoofd: zijn bol stoten; pijn in de bol hebben; een kind over zijn bol strijken; — het zal hem de bol nog kosten; — het ging er hol over bol, ’t liep er heel haastig en verward af; vgl. holderbolder; — (Zuidn.) iemand de bol wassen, hem duchtig de les lezen; — (jag.) de bol van een haas, de kop; — ook met betr. tot de hersens: het schort hem in de bol, het is hem in zijn bol geslagen, hij is niet goed bij het hoofd; — overdr.: een flinke bol, een ferme kerel; in ’t bijz. met betr. tot verstandelijke vermogens: een schrandere, een hele bol, een knap, verstandig man, een knappe kop; een bol in het rekenen, iem. die er in uitmunt; — zie ook Bolletje;
9. kleine bank of plaat aan de zeekust, bij eb, of op de benedenrivieren bij laag water, droog vallende: de Razende Bol bij Tessel.
10. kleine krib aan een rivieroever.
11. (ook o.) (Zuidn.) stam van een boom, van de wortels tot de takken (zowel groeiende als omgehouwen).
12. (gew.) hout aan bollen, tot blokjes gezaagd.
13. verhoogde vloer in een glasfabriek, waarop de glasblazers lopen en waarin de vormen staan.

II. v. (-len), spit veenaarde ter diepte van het blad der bolschup uit de veenkuil genomen; ook die diepte zelf; — vierkant brok veengrond, van de oppervlakte gestoken.

III. v. (-len), (gew.) soort van praam met ronde voorsteven, botschip. IV. m., (Barg.) baas, man.

V. bn. en bw. (-ler, -st),
1. (thans w. g.) slap, drassig: de slib en bolle veengrond;bolle turf, losse lange turf; — bol ijs, bomijs; (ook) zacht, week tengevolge van de dooi.
2. (van de wind) telkens met losse vlagen waaiende, maar niet guur; — bw.: de wind waait bol.
3. rond en dik, opgezet: bolle wangen, vaak opgevat als blijk van gezondheid en levenslust;

een bolle meid, gul, goedrond; — ook zelfst. (gemeenz.): hé, bolle!een bolle lach om de mond, gul, vriendelijk.

4. gerond: het bolle der hand, de rugzijde; — (van dieren) wel doorvoed, vet; — (van vogels) bol zitten, ineengedoken, met ópstaande veren, ten teken van ziekte; — de vogel is bol, legt niet meer in het nest (nadat de eieren er uit genomen zijn).
5. min of meer bolvormig van oppervlak; rond uitstaande: de zeilen gingen bol staan; — bolrond: bolle spiegel; bolle en holle lenzen, briüeglazen; — boekweitdoppen, stofvrij en bol, niet ineengedrukt; — (waterb.) een bolle oever, gebogen oever, met de ronding rivierwaarts.