Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Boekje

betekenis & definitie

o. (-s),

1. klein boek ; inz. klein aantekenboek voor bijzondere doeleinden: boekje waarin een keukenmeid, huishoudster e.d. haar voorschotten, of de leveranciers het door hen geleverde opschrijven: het boekje van de kruidenier, de slager; — iets op het boekje halen, niet dadelijk betalen; — iets (een belediging b.v.) op zijn boekje schrijven, goed onthouden, zodat het vergeten noch vergeven wordt; — zijn boekje opendoen, zijn zaken blootleggen, zijn mening zeggen; (ook) zijn geheimen vertellen; een boekje van iem. opendoen, uiteendoen, iemands misslagen en gebreken blootleggen, aan den dag brengen, over hem klagen; — buiten zijn boekje gaan, zijn bevoegdheid te buiten gaan; (ook) spreken over zaken die niet aan de orde zijn, of waarvan men geen verstand heeft; (ook) iets doen waartoe men geen recht of last heeft; — hij houdt zich aan zijn boekje, volgt angstvallig de voorschriften op ; — dat staat niet in zijn boekje, daarmee bemoeit hij zich niet, daar komt bij hem niets van in ; — het gaat zo glad (zo vlot), alsof hij het uit een boekje las, van iem. die gemakkelijk en vlug spreekt; — (Zuidn.) ’t boekje kwijt zijn, de draad kwijt zijn, blijven steken; (ook) niet weten wanneer de bevalling te verwachten is, vgl. de tel kwijt zijn ; — iem. die maar één boekje gelezen heeft, gezegd van bekrompenen van geest; — het boekje van de duivel, een spel kaarten, vgl. bijbel; — (gew.) een boekje kopen, vijf kaarten kopen bij ’t lanterluspel;
2. een aantal kaartjes, formulieren, coupons enz. tot een boekje verenigd: een boekje tramkaartjes; een boekje cigarettenpapier ; een boekje postzegels, een aantal postzegels van verschillende waarden voor een zeker bedrag in boekvorm verkrijgbaar gesteld.