Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Blad

betekenis & definitie

o. (-eren, -ers, -en, of blaren),

1. (plantk.) min of meer schijfvormig orgaan aan takken en stengels van planten, dienende om vocht uit te wasemen en koolzuur uit de lucht op te nemen, onderscheiden naar de plaats in: wortel- en stengel-, steun- en schutbladeren enz.; naar de vorm in: ronde, langwerpige, ovale, driehoekige enz.; naar de rand : gaafrandige, gezaagde, ingesneden, gekartelde, getande bladeren enz. ; — enkelvoudige en samengestelde bladeren, met één of meer bladschijven; de bladeren van kool, salade enz.; — (spr.) hij is omgedraaid, veranderd als een blad op een boom, hij is geheel van zienswijze, van gedrag veranderd; — zegsw.: geen blad voor de mond nemen, rondborstig, openhartig spreken ; — de bladeren vallen van de bomen, het wordt herfst; ook van iem. gezegd die niet goed bij zijn verstand is; — tabak in bladen, nog niet verwerkt; twaalf blaadjes roken, een zeer los gestopte pijp tabak, die men vlug uitrookt; — wandelend blad, onderorde van insecten, (Phyllium, inz. siccofolium) die met toegeslagen vleugels op een blad gelijken;
2. (mv. alleen bladen), bij verg. benaming van platte, brede voorwerpen, of zulke delen van voorwerpen : het blad van een bijl, een lans, een riem, een zaag; blad van een anker, plat driehoekig uiteinde der armen, ook vaak hand genoemd ; — blad van een schroef, vleugel; — het blad. van een sleutel, de baard ; — het blad van een hamer, de kruin; — de bladen van een schaar, de wangen; — de bladen der kaardmachines, het beslag; — blad van een beitel, versterking van de arend; — het blad van een tafel, het vlakke bovengedeelte; een tafel met ticee losse bladen (vgl. insteekblad); — bladen of -platen mahoniehout ;goud in bladen, bladgoud;
3. plat en breed, langwerpig, rond of ovaal voorwerp van hout of metaal dienende om vaatwerk te dragen : een blad met kopjes; een kellner met een blad ; vgl. theeblad, schenkblad; — (jag.) schouderblad;
4. midden-bovendeel van de tong ; vand. (Zuidn.) tong: zijn blad is niet verbrand of bevroren, hij kan goed praten; een vuil blad, een vuiltong, (ook) een kwaadspreker ; —
5. stuk papier, perkament, karton enz. van onbepaalde grootte : een beschreven, een bedrukt blad ; een blad muziek ; — van het blad zingen (spelen), op het eerste gezicht zingen, zonder zich voorbereid te hebben ;
6. in ’t bijz. als deel van een boek:
1°. vel, ieder der als één geheel gedrukte en daarna in tweeën, vieren enz. gevouwen stukken papier die tezamen het boek vormen: een boek van 100 bladen;
2°. twee bladzijden samen: de bladen van dit boek gaan los ; — het boek van 52 bladen, een spel kaarten;
7. (meton.) een uit één of meer vellen, of een deel van een vel bestaand, al of niet op geregelde tijden verschijnend geschrift: een vliegend blad; vgl. dag-, week-, maandblad; ochtend-, avondblad; nieuwsblad; in ’t bijz.: courant: de grote, de buitenlandse bladen ; wat zeggen de bladen er van ; de bladen melden ; in de bladen lezen wij, dat. . .. ; een blad uitgeven. BLAADJE, o. (-s), zie ook aldaar.