Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Beweging

betekenis & definitie

v. (-en),

1. het doen bewegen, verplaatsing enz.: de wagen reageert op de geringste beweging van het stuur;
2. het bewegen, zich verplaatsen, het tegengestelde van rust: beweging is verandering van plaats ; (nat.) eenparige, versnelde, rechtlijnige, kromlijnige beweging ; de beweging der aarde om de zon ; eeuwigdurende beweging; — de trein zette zich in beweging, vertrok; —(spoorw.) chef van beweging, die de treinenloop regelt; — (milit.) verplaatsing van troepen: de soldaten maakten een omtrekkende beweging; — (in ’t bijz.) het werken der spieren: beweging nemen; — in ruimer bet.: vrij zijn in zijn bewegingen, vrij om te komen en te gaan zoals men wil;
3. drukte, vertier: Rotterdam is een stad vol leven en beweging; — van mensen: beweging maken, veel drukte maken, hebben;
4. opschudding : een beweging onder het publiek ; het volk raakte in beweging ;
5. het veranderen van de staat van zaken, van meningen en opvattingen, en ook het streven daarnaar: een godsdienstige, een sociale beweging ; de beweging van ’80 ; — in bep. verband wordt zulk een streven als „de beweging” aangeduid: hij zit ook in de beweging; (diev.) hij is weer in de beweging, hij werkt weer, gaat weer uit stelen ; zij is in de beweging, in „het leven” ; — (gemeenz.) wat is dat voor een beweging ? wat gebeurt daar ? (ook) wat is dat voor iets ?
6. aandrift, aandrang : uit eigen beweging iets doen, vrijwillig; — mensen van gelijke beweging, die overeenstemmen in leef- en denkwijze; —

aandoening: bewegingen des gemoeds.