Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Betrekking

betekenis & definitie

v. (-en),

1. ambt, bediening, werkkring : een openbare, winstgevende, ondergeschikte betrekking ; zijn betrekking nederleggen ; in betrekking komen ; in betrekking zijn bij; een betrekking zoeken; iem. aan een betrekking helpen;
2. wederzijds verband, verhouding tot elkander: dat heeft geen betrekking daarop, dat staat daarmee niet in verband, doelt daar niet op ; — met betrekking tot, aangaande; — (taalk.) verband: de betrekking tussen onderwerp en gezegde wordt uitgedrukt door overeenstemming der buigingsvormen;
3. band, het bestaan van een zekere verhouding tussen personen onderling, of tussen personen en zaken: de betrekking tussen man en vrouw ; die beide landen hebben hun betrekking (en) afge-, verbroken; onze betrekkingen tot al de Europese staten zijn gunstig te noemen; — zich in betrekking tot iem. stellen, zich tot hem wenden; (ook) onderhandelingen aanknopen; — in betrekking tot iem. staan, tot zijn verwanten behoren; (ook) liefdesbetrekkingen met elkander hebben; — vand.;
4. bloedverwant, in ’t bijz. nabestaande : zijn naaste betrekkingen ;
5. (gew.) betrekking op iets hebben, zin, lust hebben het te kopen.