Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Bekleden

betekenis & definitie

(bekleedde, heeft bekleed),

1. kleden in, met klederen omhangen;
2. (een oppervlakte) beschieten, bedekken (met hout, lood, marmer, verf enz.); (bouwde.) beschoeien: mijnputten bekleden; — stoomketels bekleden, overdekken met slecht -warmtegeleidende stoffen; — een kamer bekleden, behangen; — stoelen bekleden, van stoffering voorzien; — (zeew.) een schip bekleden, van een pantser of metalen huid voorzien: — (oneig.) een muur, met klimop bekleed;
3. wallen en borstweringen bekleden, er een wand van steviger stof tegen aan zetten om het inzakken te voorkomen ;
4. innemen (een plaats), meest oneig.: onder de dichters bekleedt hij een eerste plaats; — iem.’s zijde bekleden, naast hem gaan of zitten ; — (fig.) een ambt bekleden, vervullen; — een leerstoel, een professoraat bekleden, professor zijn ;
5. iem. met een ambt bekleden, het hem opdragen, toevertrouv’en.