Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Beeld

betekenis & definitie

o. (-en),

1. nabootsing in hout, steen, metaal, was enz. van een mens, een dier of van een godheid in die gedaante; onbeweeglijk als een beeld; hij zat als een beeld, roerloos; — een beeld gieten, van metaal, gips enz.; — een beeld snijden, van hout of metaal; gij zult u geen gesneden beeld maken (Exod. 20:4); — ze is zo koud als een beeld, (schoon, maar) in hoge mate gevoelloos; — zo wit als een beeld, (nl. van wit marmer), zeer wit van schrik of ontroering enz.;
2. (thans w. g., behalve in de verb. hierna) nabootsing van mens of dier enz. in een plat vlak, in tekening of schilderij; ook wel alleen de omtrek aanduidende (vgl. schaduwbeeld); — iem. in beeld brengen, zijn portret maken; — de oorlog in beeld, door afbeeldingen voorgesteld (in tegenst. tot: beschreven); — (Zuidn.) een beeldeken, een prentie, inz. een voorstelling uit de gewijde geschiedenis of wel het portret van een overledene (doodbeeldeken), met een toepasselijk gedicht of aanhalingen uit de H. Schrift aan de keerzijde;
3. (in ruimere zin) wat naar een voorbeeld gemaakt is of schijnt en daarmee overeenkomt; zij is het beeld van haar moeder, lijkt daar sprekend op; (bijb.) de mens is als Gods beeld geschapen, naar de Gelijkenis met God (vgl. Gen. 1 : 26 ; 1 Cor. 11 : 7);
4. wèlgelijkende, treffende voorstelling, toonbeeld: hij is het beeld van een Zeeuw, in hem komt het karakter van de Zeeuw sterk uit; een beeld van mannelijke kracht; zij was een beeld der wanhoop ; een beeld van verwoesting;
5. wat bijzonder mooi in zijn soort is: een beeld van een vrouw, een kind;een beeld van een hoedje, een bijzonder mooi hoedje; — (iron.) ’t is een beeld; ook een beeld! ook een mooie (gezegd van iem. met slechte hoedanigheden, karaktertrekken enz.);
6. voorstelling van iets door be- of omschrijving in woorden: ik wil trachten u een duidelijk beeld van de zaak te geven; — afgeronde voorstelling: een beeld van Luther geven;
7. voorstelling van iem. of iets in de geest: zijn beeld was diep in haar ziel gegrift; de beelden verwarden zich in zijn geest;
8. niet-rechtstreekse voorstelling, overdrachtelijke aanduiding: iets in beeld brengen, door een vergelijking verstaanbaar maken; — beelden in de taal, beeldspraak, tropen; een juist, een stout, een tredend, een vals beeld;
9. door het gezicht verkregen voorstelling; afschijnsel gevormd door de lichtstralen die van een voorwerp uitgaan: op het netvlies ontstaan beelden; — een scherp, juist, positief, negatief beeld. — (fig.) de spraak moet zijn een beeld der gedachten, een afspiegeling, een spiegelbeeld.