Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Ban

betekenis & definitie

m. (-nen),

1. plechtige afkondiging ; — thans nog bij de marine : voorlezing van een proclamatie, of andere plechtigheid, geopend en gesloten door een geslagen of geblazen signaal: na het vormen van het carré werd de ban geopend; — (oudt.) krijgsban, heerban, deoproeping ten strijde van de leenmannen door hun heer ;
2. (Zuidn.) huwelijksafkondiging : de bannen afroepen;
3. (hist.) door de wereldlijke overheid opgelegde straf waarbij iem. van de bescherming der wetten werd verstoken, zelf vogelvrij en zijn goederen verbeurdverklaard werden ; — (fig.) iem. in de ban doen, zijn gedrag algemeen afkeuren, waardoor hij in de maatschappij onmogelijk wordt, hem doodverklaren ;
4. kerkelijke straf; oudt. bij de Israëlieten een besluit, der kerkelijke overheid waarbij iem. de gemeenschap met de synagoge werd verboden of waarbij personen en zaken tot banoffers werden verklaard ; — in de Christelijke Kerk : excommunicatie, ten opzichte van landen en volken interdict genoemd; de kleine ban, waarbij de deelneming aan de sacramenten werd ontzegd ; de grote ban, welke de opheffing van alle gemeenschap met de Kerk en een beroving van haar zegeningen in leven en. dood en tevens het verlies van alle rechten ten gevolge had, waardoor de banneling vogelvrij werd verklaard : Gregorius IX sprak de ban over keizer Frederik II uit; iem. van de ban ontslaan, ontheffen ; Luther werd in de ban gedaan;
5. ban- of bezweringsformule ;
6. (oudt.) rechtsgebied, landstreek waarover zich de rechtsban van een ambtenaar, uitstrekte; vgl. bij de waterstaat : Bandijk, Banrecht.

< >

Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.

Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.

✓ Bedankt! We nemen zo snel mogelijk contact met je op.
Er ging iets mis. Probeer het opnieuw.