Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Baas

betekenis & definitie

I. m. (bazen),

1. het hoofd van het gezin (inz. bij boeren en kleine luiden): is de baas thuis? ik wou de baas spreken; (Z.-A.) naam waarmee de kleurlingen een blanke aanspreken;
2. aanspreekvorm voor een volwassen man van mindere stand: baas, kun-je ook zeggen waar de Lepelstraat is?
3. gemeenz. aanduiding van een man in ’t algemeen: ’t is een dik baasje; ’t is een leuke baas, een leuke vent; 't is al een oude baas;
4. eigenaar, meester van een hond of ander huisdier: die hond is altijd bij zijn baas; waar is de baas?
5. persoon die in huis het hoogste gezag heeft: hij is de

baas ; de vrouw is de baas ; ik ben geen baas in mijn eigen huis, heb er niets te vertellen; — daar is booi baas, de ondergeschikten regeren daar, het is daar de verkeerde wereld; — de baas over iem. spelen, zich het gezag over hem aanmatigen, hem zijn wil opdringen ; — ergens de baas spelen, zijn zin doorzetten, doen alsof men er alles te zeggen heeft: die baas is, moet baas blijven, men moet zich zijn rechten niet laten ontnemen, het gezag moet gehandhaafd worden; — iem. de baas worden, blijven, iem. in bedwang krijgen, houden;

6. iem. die met knechts onder zich een ambacht uitoefent : een grote baas, met veel knechts ; hij is zelf baas ; zich als baas vestigen ; — in ruimere bet.: eigenaar van een zaak : de baas zelf hielp mij ; — hij is de baas van ‘t spul, heeft de leiding in handen, heeft de meeste invloed; hij is zijn eigen baas, is van niemand afhankelijk; er is altijd baas boven baas, ieder heeft zijn meerdere ; er is altijd iem. die de anderen overtreft;
7. opzichter van een werk; — die aan ’t hoofd van enige arbeiders staat: onderbaas, ploegbaas ;
8. thans in ’t alg. een benaming (door het personeel gebruikt) voor een hoger geplaatste, chef; (bij uitbr.) ieder die gezag, een leidende functie heeft: directeur ener fabriek ; hoofd ener school enz. ; (Ind.) administrateur ener onderneming;
9. iem. die in iets zeer bedreven is : hij is een baas in het rekenen, een bolleboos, zeer knap; — hij is mij daarin de baas, hij doet of weet het beter dan ik, hij wint het daarin van mij ; — wat groot, flink in zijn soort is : een baas van een snoek, een zeer grote snoek ; — een baas van een jongen, een flinke, gezonde jongen ; ’t is een baas, hoor!

II. BAAS

v. (bazen), voetstuk, basis.