Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Arbeid

betekenis & definitie

m., g. mv.,

1. moeite, inspanning van lichamelijke (of geestelijke) krachten om iets te verrichten, tot stand te brengen : leven zonder arbeid is geen leven ; de boer oogst de vruchten van zijn arbeid ; de arbeid op het veld, in de veenderijen ; weinig arbeid voor veel loon ; kunst wordt door arbeid verkregen ; — verloren arbeid, vergeefse arbeid; — de arbeid hervatten, voltooien; — aan de arbeid gaan, zijn, werken ; (spr.) arbeid adelt; arbeid verwarmt, luiheid verarmt; — ivat men gaarne doet, dat is geen arbeid; — ’t geld verzoet de arbeid, maakt dat men de arbeid niet met tegenzin uitvoert; — in ’t bijz.: moeizaam lichamelijk werk als broodwinning of straf; zware, zure, harde arbeid ; — (scherts.) dat was ook een hele arbeid, niet veel moeite; — kamers van arbeid, verenigingen om de gemeenschappelijke belangen van patroon en werkman te behartigen ; — ridders van de arbeid; leden der grote werkliedenverenigingen in Engeland en Amerika ;
2. (staathuishoudk.) werkzaamheid van de mens om maatschappelijke behoeften te bevredigen, gezamenlijke werkzaamheid der mensen in hun maatschappelijke betrekkingen : kapitaal en arbeid; verdeling van de arbeid ; vrijheid van arbeid ; voortbrengende arbeid ;
3. de vrucht, de opbrengst van iemands werk, het tot stand gebrachte: de arbeid uwer handen zal verwoest worden; — vooral van kunstwerken, geestesvoortbrengselen : de schilder heeft zijn arbeid tentoongesteld; tranen vielen op haar arbeid (borduurwerk b.v.) ; — als germ. wordt gevoeld arbeid voor : geschrift;
4. (nat. en mechanica) uitwerking ener kracht, inz. de verplaatsing van een lichaam door de werking ener kracht: een kracht verricht arbeid, als zij een beweging doet ontstaan, belemmert of doet ophouden ; — de arbeid ener kracht is het product van massa en snelheid ;
5. (veroud.) moeite, inspanning in ’t algemeen: de dienaars hadden arbeids genoeg om ruim baan te maken (tegenwoordig : werk); — in ’t bijz. : barensnood : in arbeid zijn, gaan ;

[6. een germanisme is arbeid voor: gisting, werking van bier enz.].