Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Afwijzen

betekenis & definitie

(wees af, heeft afgewezen),

1. (personen die iem. komen bezoeken of hem wensen te spreken) onverrichter zake wegzenden, niet toelaten, niet ontvangen : zij het mij afwijzen, zij wilde mij niet te woord staan; de hospita hadstrenge last ieder die zich aanmeldde, af te wijzen ; — iemand aan de deur afwijzen, hem niet veroorloven binnen te treden ; — zich niet laten afwijzen, er niet in berusten, dat men niet toegelaten of ontvangen wordt; — (zaken die men ergens wil binnenbrengen) niet toelaten: zijn artikels waren oorzaak, dat het blad aan de Franse grenzen zo dikwijls afgewezen was ;
2.(personen die gastvrijheid, een veilige wijkplaats, een gunst, betrekking enz. komen vragen) ongetroost wegzenden, niet opnemen, hun verzoek weigeren: hij wilde de vluchteling, nu die eenmaal zijn drempel betreden had, niet afwijzen ; hij liep allekantoren af, maar werd overal afgewezen; — (personen die als lid van een vereniging, als deelgenoot of toeschouwer van een handeling wensen toegelaten te worden) de toegang ontzeggen: wie geen goede introductie heeft, wordt afgewezen; — fig.: zij wijst het droombeeld af en houdt het wezen vast;
3. na gehoord examen de verlangde graad of de verlangde bevoegdheid niet toekennen : van de twintig candidaten zijn er veertien geslaagd en zes afgewezen;
4. van de hand wijzen, afslaan, weigeren iets te aanvaarden of zich te laten welgevallen: een aanbod, een eerbewijs, een beloning enz. afwijzen;iemand, iemands hand afwijzen, zijn aanzoek weigeren; het meisje was hem niet ongenegen, maar de vader had hem afgewezen, omdat hij te arm ivas, zijn huwelijksaanzoek afgeslagen; — lof, eer, roem, een verdienste enz. afwijzen, verklaren dat men er geen aanspraak op heeft of ze niet begeert; een last, een taak enz. afwijzen, weigeren zich er mede te belasten ; — een verzoek, een bede, een uitnodiging, een voorstel, gestelde voorwaard en enz. afwijzen, van de hand wijzen, weigeren ; — (mededelingen, berichten, geruchten enz.) niet aannemen, als geen geloof verdienende : lieden die ieder bovennatuurlijk verhaal en lichtvaardig gerucht als verzinsel of laakbare overdrijving afwijzen ;een afwijzende beweging, een afwijzend gebaar, teken enz., beweging, gebaar enz., te kennen gevende dat men iets weigert of afslaat; — onverhoord laten : Jezus wijst geen smekende af;
5. een voorstel afwijzen (van een vergadering gezegd), niet aannemen, verwerpen, afstemmen; — een verzoek enz. afwijzend beantwoorden; op een verzoek afwijzend beschikken, een beschikking geven, waarbij het verzoek geweigerd wordt; een afwijzende beschikking, een afwijzend antwoord ;
6. bij rechterlijke uitspraak ongegrond verklaren of ontzeggen: zijn eis is door de rechtbank afgewezen ; — (veroud. rechtst.) iem. iets afwijzen, bij rechterlijke uitspraak hem het recht op of tot iets ontzeggen ;
7. (Zuidn. en gew.) niet goedkeuren: in u vindt hij meer goed te keuren en na te volgen, dan te berispen of af te wijzen ;
8.door kracht van tegenstand doen aftrekken of beletten te naderen : de vijand, een aanval afwijzen, afweren ; (fig.) aandoeningen, ervaringen, hartstochten enz. verhinderen hun werking te doen: wij moeten die zenuwachtige verschijnselen afwijzen, anders stellen ze ons spoedig de wet;

9.iem. van de weg afwijzen, hem een verkeerde weg doen inslaan, misleiden;

10. (w. g., dicht.) wijzen op iets dat beneden is.