Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Afleiden

betekenis & definitie

(leidde af, heeft afgeleid),

1. van een plaats af brengen en naar een andere geleiden: een blinde van een gevaarlijke plaats afleiden ; onverkocht vee van de markt afleiden; — een dame afleiden, haar gearmd b.v. van het orkest naar haar plaats, naar haar rijtuig enz. geleiden; iem. van de rechte weg afleiden, op een dwaalspoor brengen (eig. en fig.);
2. (boomtakken, ranken enz.) in een andere richting doen groeien;
3. (stromend water) ergens anders heen doen stromen: het water der bron werd afgeleid; — (geneesk.) het bloed van de hersenen of longen afleiden; — (fig.) de stroom afleiden, een zich bewegende of verplaatsende volksmenigte van richting doen veranderen; — de bliksem afleiden, die zó leiden, dat hij het voorwerp waarop hij valt, verlaat zonder dit of de nabij zijnde voorwerpen te beschadigen, zonder in te slaan ; ook fig. met betr. tot een uitbarsting van toorn ;
4. iem. van zijn werk afleiden, zijn aandacht er van aftrekken ; — iem. afleiden, hem van zijn werk aftrekken; (ook) bezighouden, zodat hij niet denkt aan hetgeen hem hindert of bedroeft, of niet ziet enz. wat hij niet mag weten; — iem. van een gedachte, een voornemen, een aandoening enz. afleiden, maken dat hij aan iets anders begint te denken, zijn aandacht op iets anders vestigen;

(neigingen, aandoeningen) een andere richting doen nemen; — iemands aandacht (opmerkzaamheid) van iets afleiden, ze er van aftrekken en op iets anders vestigen;

het gesprek (van iets) afleiden, het ongemerkt op een ander onderwerp brengen;

5.naar beneden leiden langs een helling of van een hoogte: iem. de trap afleiden;
6. (fig.) (van een geslacht of een familie) de oorsprong daarvan aanwijzen in een vroeger persoon of in zeker geslacht, aantonen of beweren, dat zij daarvan afkomstig, daaruit afgestamd zijn : de Beren van Brederode leidden hun geslacht af van graaf Arnoud; — (fig.) hij leidde haar stilzwijgen af uit een gevoel van schuld, hield dit gevoel voor de oorzaak ;
7. (bestaande woorden) aanwijzen of beschouwen als ontwikkeld uit een of meer andere woorden (grondwoorden) ten aanzien van vorm en betekenis, verklaren uit hun afstamming : ,opperman'' wordt wel van ,operarius’ afgeleid; — (nieuwe woorden) van of uit bestaande woorden vormen, hetzij door aanhechting van voor- of achtervoegsels of door verandering van de wortelklinker, hetzij zonder enige verandering van vorm, door aan het woord een betekenis te hechten, waardoor het een ander rededeel wordt: spraak, spreuk, sprookje, gesprek, bespreking, zijn afgeleid van spreken ; — (muz.) afgeleide akkoorden: door omkering of omzetting van stamakkoorden verkregen; afgeleide tonen : door verhoging of verlaging uit de oorspr. gevormd, b.v. lis, bes ;

8.iets uit of van iets anders afleiden, uit iets gegevens tot iets nieuws besluiten, het daaruit opmaken; — (meningen en oordelen) opmaken als gevolgtrekking uit het gegevene: leid' echter niet uit mijn weigering af, dat ik u ongenegen ben; — (stellingen, gevoelens, gezindheden enz.) vormen of opvatten als gevolg of uitvloeisel van iets anders, opmaken : een gevolgtrekking afleiden; zijn aanspraak ergens uit aflcidcn, gronden op.