Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Acht

betekenis & definitie

I. v.,

1. (veroud.) rijksban, vanwege de Keizer van het oude Duitse Rijk: in de acht doen.
2. oplettendheid, aandacht; aanmerking, zorg; — geeft acht! commandowoord dat een volgend commando voorafgaat, waarbij de soldaten in de houding moeten gaan staan; — acht geven, acht slaan op iem., op iets, zijn opmerkzaamheid er op richten (om er naar te handelen); — een wet, een bepaling in acht nemen, haar naleven, opvolgen; — zijn gezondheid in acht nemen, er zorg voor dragen; — zich in acht nemen, zorg dragen voor zichzelf, zijn gezondheid, (ook) behoedzaam zijn in woorden en daden; zich hoeden voor mogelijke gevaren; — zich voor iem. in acht nemen, zich voor hem wachten, op zijn hoede zijn voor hem; — (sprw.) acht is meer dan duizend, (woordspeling met acht, telw.) zorgvuldige behartiging zijner zaken is veel waard,

II.

1. hoofdtelw., één meer dan zeven: acht en twee is tien; acht en acht maakt zestien; denkt men aan de bepaalde soort der eenheden, dan kan men zeggen: acht en acht maken zestien; de acht (b.v. sigaren) kosten een gulden; — (muz.) het cijfer S boven of onder de noten betekent dat het volgende gedeelte een octaaf hoger of lager moet gezongen of gespeeld worden; — in heden over, voor acht dagen, een vacantie van acht dagen, betekent acht eig. zeven; — in de verb. vorm achten (het telw. acht, beschouwd als een zelfst. gebruikt bn. in het meerv.), acht bijeenhorende personen of gelijksoortige zaken: een gezelschap van achten; deel dit onder u achten; zij waren met hun achten; we zijn met zijn (of ons) achten; — (gesch.) de goede lieden van achten, voormalig regeringscollege van toezicht te Dordrecht; — acht delen van hetzelfde geheel: iets in achten breken, delen; — acht eenheden in hetzelfde muntstuk: een stuk van achten, van 8 schellingen; — acht uren: op slag van achten; de trein van achten; — acht achtereenvolgende malen: hij deed het in achten;
2. rangtelw., achtste: Hoofdstuk acht; hij is van het jaar acht; lijn acht; acht Mei; —

III. zn. v. (-en), naam van het cijfer waardoor acht voorgesteld wordt: een Arabische acht (8); een Romeinse acht (VIII); — (oneig.) figuur die de gedaante ener acht heeft: een acht maken (op het ijs); ook zekere gymnastische figuur; — soort van krakeling; — steen van een dominospel waarop acht ogen staan; — (kaartsp.) kaart met acht eenheden: klaveren acht; — achtriemsgiek; — ploeg van acht roeiers: de oude acht; — tent voor acht personen; — kaars van acht in een pond.