Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Aanzeggen

betekenis & definitie

(zei(de) aan, zegde aan, heeft aangezegd en aangezeid),

1. (veroud.) bekendmaken in ’t algemeen ; (thans) min of meer plechtig mondeling bekendmaken, aankondigen: iemands overlijden (laten) aanzeggen: iem. gerechtelijk aanzeggen, langs gerechtelijke weg mededelen ; de dood aanzeggen (aan een veroordeelde), hem mededelen dat hij op een bepaalde tijd de doodstraf zal ondergaan ; — iem. de wacht aanzeggen, eig. laten weten dat hij de wacht moet betrekken, (thans fig.) iem. zeggen waaraan hij zich voortaan te houden heeft; — de oorlog aanzeggen (aan een mogendheid), verklaren ;
2. bevelen, gelasten: aanzeggen dat de honden alleen gemuilband op straat mogen lopen ;
3. men zou het hem niet aanzeggen, op het uiterlijk afgaande niet van hem zeggen, denken.